B.D.-Nr. 2420

De verwijdering van God – Krachteloosheid – Ondergang

Gods geboden worden veronachtzaamd en de mensheid is alleen de wereld nog toegedaan en dus degene, die de wereld regeert. En omdat deze de Schepper van de hemel en de aarde niet erkent, omdat deze Diens wil niet vervult, maar zich aan haar tegenstander onderwerpt, gaat ze de ondergang tegemoet, want ze verwijdert zich steeds meer van God en kan daarom steeds minder bedacht worden met Zijn kracht.

Maar krachteloosheid is ondergang. Krachteloosheid is onnoemelijk martelend voor het geestelijke, dat zijn ontwikkelingsproces niet voort kan zetten, maar gebonden blijft, omdat het zich zonder de krachttoevoer uit God niet bevrijden kan. Maar de verwijdering van God betekent hetzelfde als een ontnemen van kracht en dus een levenloze toestand, waarvan het wezen zich pas bewust wordt na de beëindiging van het aardse leven.

Het is een onnoemelijk treurige tijd voor het geestelijke, doordat de verkeerde wil van de mens dit geestelijke in de gebonden toestand laat blijven en de oorzaak van deze geestelijke nood is de liefdeloosheid. Het handelen van de mens tegen de goddelijke geboden. Er wordt te weinig liefde beoefend voor de naaste, maar de eigenliefde wordt groter en daarom wordt ook de liefde voor de wereld sterker en daarom kan het niet beter worden op de aarde. De mensen kan het lijden niet bespaard blijven, omdat ze het zelf zo willen.

En zo’n tijd van liefdeloosheid vereist een ingrijpen van God, omdat er geen acht meer geslagen wordt op Zijn geboden. God eist van de mensen liefde voor de naasten en Hij ziet daarin ook de liefde voor Hemzelf. “Wat jullie voor de minste van Mijn broeders gedaan hebben, dat hebben jullie voor Mij gedaan”. Hijzelf noemt alle mensen Zijn broeders. En Hij wil dat de mensen op aarde als broeders met elkaar omgaan. Hij wil daaraan hun liefde voor Hem afmeten.

Maar de mensen luisteren niet naar Zijn stem. Ze schenken geen aandacht aan Zijn woord en gaan in liefdeloosheid aan de nood van de medemensen voorbij. En dus moeten ze dezelfde nood te voelen krijgen. Ze moeten hetzelfde lot te dragen hebben. Het lijden moet een ieder vormen, als hij nog tot verandering in staat is en ze moeten leren om de naasten als broeders te beschouwen en elkaar te dienen.

Maar dit kan alleen grote aardse nood nog maar tot stand brengen en daarom moet God zoiets over de aarde laten komen, opdat in de mensen de liefde opgewekt wordt en het geestelijke verval voorkomen wordt, waar nog de mogelijkheid van een wilsverandering bestaat. En dat moet door de komende tijd, die nog eindeloos veel leed brengen zal, tot stand gebracht worden, omdat de mensheid anders niet meer tot liefde geleid kan worden en zonder die liefde gaat ze geheel verloren.

En dit valt binnenkort te verwachten. Want de mensheid verwijdert zich steeds meer van God en ze kan alleen nog maar langs de weg van een groot leed naar God teruggeleid worden, als ze nog niet geheel aan de tegenstander van God vervallen is en verder in de liefdeloosheid volhardt.

Maar dan is ook het moment van het gericht niet ver meer weg. De dag, waar er een definitieve scheiding komt tussen het goede en het kwade. Tussen degenen, die in de liefde leven, die God als hun Heer erkennen en de aanhangers van de wereld, die van elke liefde gespeend zijn.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.