B.D.-Nr. 2419

Kindschap van God

De proeftijd op aarde is in zoverre van het grootste belang voor de mens of zijn ziel, dat hij met het beëindigen hiervan de aarde definitief verlaat, onafhankelijk van in hoeverre de ziel zich opwaarts ontwikkeld heeft. Maar de rijpheidsgraad van de ziel is nu bepalend voor haar nieuwe omgeving en de werkzaamheid in het hiernamaals. De werkzaamheid op aarde is definitief voorbij, ook wanneer het voor de ziel zonder succes was. In zekere zin is er een tijd van genade beëindigd, of die nu goed of verkeerd gebruikt werd. Alleen heeft dit in het hiernamaals verstrekkende gevolgen.

De tijd op aarde is echter maar kort en toch bepalend voor de eeuwigheid, want ofschoon de ziel zich ook in het hiernamaals nog verder kan ontwikkelen, is voor haar toch niet meer die ontwikkeling mogelijk, die een goed benut aards leven haar op had kunnen leveren. Ze kan het kindschap van God niet bereiken, want dit vereist een levenswandel op aarde, die geheel met de wil van God overeenkomt. Dit vereist een rijpheidsgraad bij het sterven van de mens, die al een binnengaan in de lichtsferen toestaat. De mens moet zich al op aarde tot een lichtwezen vormen, wat ook geheel in zijn macht ligt, als hij de wil daartoe opbrengt. Hij moet dus de genade van de belichaming als mens volledig benutten. Hij moet bewust naar God streven en de vereniging met Hem al op aarde door gebed en een werkzaam zijn in liefde zoeken.

Er is niets onmogelijks in wat God van de mens verlangt, want overeenkomstig Zijn eisen is ook de toebedeling van Zijn genade, het verlenen van Zijn hulp. Er wordt enkel de wil van de mens geëist en deze faalt meestal. Bijgevolg kan het wezen in het hiernamaals dan niet het hoogste gegeven worden, omdat deze het op aarde niet nastreefde. Het kindschap van God is de gelukzaligste toestand, die het wezen in het hiernamaals eindeloos gelukkig maakt, want ze levert het wezen het erfdeel van de Vader op. Het wezen kan scheppen en vormgeven met God door Zijn kracht.

Als de ziel op aarde een leven in liefde geleid heeft, is de scheiding van God definitief overwonnen. Ze is God nabij. Ze heeft de weg naar haar oorsprong teruggevonden. Ze is één geworden met Hem. En de ziel is het aardse leven met dit doel gegeven. Maar God laat het geestelijke, dat de tijd op aarde niet overeenkomstig Zijn wil gebruikt heeft, niet vallen en geeft het in het hiernamaals ook voortdurend mogelijkheden om op te klimmen. En zodoende kunnen ook deze zielen nog een lichtvolle en gelukkig makende toestand bereiken, die echter verschillend is van die van een kind van God.

Want een kind van God wordt in zekere zin ook een schenker van kracht, omdat het de rechtstreekse uitstraling van God in zich opneemt, omdat het in de nauwste verbinding met God staat en het kan deze kracht nu voortdurend uitdelen, omdat het zelf door de kracht van God doorstroomd wordt. Een kind van God te zijn betekent geheel met Hem versmolten te zijn en bijgevolg ook over Zijn macht en kracht te kunnen beschikken. De mensheid begrijpt niet wat dat betekent en ze begrijpt daarom ook niet de betekenis van het aardse leven, dat de ziel iets onvoorstelbaar gelukzaligs op kan leveren en toch meestal zonder dit op te merken, geleefd wordt.

De ook in het hiernamaals nog mogelijke opwaartse ontwikkeling is een daad van de grootste barmhartigheid van God, Die toch het wezen het aardse leven tot zijn definitieve loutering en opwaartse ontwikkeling gegeven heeft. Maar die in Zijn enorme liefde de wezens, van wie de wil op aarde faalde, nog een opwaarts gaan in het hiernamaals mogelijk maakt om hun gelukzaligheid en licht te schenken, maar toch ook nog afhankelijk is van de wil van de wezens.

Maar de zaligheden van een kind van God kunnen deze wezens niet bereiken, tenzij ze de weg op aarde nog een keer afleggen, als hun door God deze genade verleend wordt, die met een taak op aarde verbonden wordt. Dan zal de ziel nog een keer moeten strijden, ofschoon ze voor een totale terugval beschermd wordt door de lichtwezens, omdat ze voordien in het hiernamaals al een bepaalde rijpheidsgraad bereikt moet hebben, voordat haar deze grote genade door Gods grote liefde verleend wordt. Het vervullen van haar taak, die het zielenheil van de medemensen betreft, kan haar nu op aarde deze graad van rijpheid opleveren, die haar tot een kind van God maakt. Maar steeds wordt het aan de wil van de ziel overgelaten, hoe ze de hernieuwde verlening van de genade van de belichaming op aarde gebruikt.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.