Gods geboden worden veronachtzaamd en de mensheid is alleen de wereld nog toegedaan en dus degene, die de wereld regeert. En omdat deze de Schepper van de hemel en de aarde niet erkent, omdat deze Diens wil niet vervult, maar zich aan haar tegenstander onderwerpt, gaat ze de ondergang tegemoet, want ze verwijdert zich steeds meer van God en kan daarom steeds minder bedacht worden met Zijn kracht.
Maar krachteloosheid is ondergang. Krachteloosheid is onnoemelijk martelend voor het geestelijke, dat zijn ontwikkelingsproces niet voort kan zetten, maar gebonden blijft, omdat het zich zonder de krachttoevoer uit God niet bevrijden kan. Maar de verwijdering van God betekent hetzelfde als een ontnemen van kracht en dus een levenloze toestand, waarvan het wezen zich pas bewust wordt na de beëindiging van het aardse leven.
Het is een onnoemelijk treurige tijd voor het geestelijke, doordat de verkeerde wil van de mens dit geestelijke in de gebonden toestand laat blijven en de oorzaak van deze geestelijke nood is de liefdeloosheid. Het handelen van de mens tegen de goddelijke geboden. Er wordt te weinig liefde beoefend voor de naaste, maar de eigenliefde wordt groter en daarom wordt ook de liefde voor de wereld sterker en daarom kan het niet beter worden op de aarde. De mensen kan het lijden niet bespaard blijven, omdat ze het zelf zo willen.
En zo’n tijd van liefdeloosheid vereist een ingrijpen van God, omdat er geen acht meer geslagen wordt op Zijn geboden. God eist van de mensen liefde voor de naasten en Hij ziet daarin ook de liefde voor Hemzelf. “Wat jullie voor de minste van Mijn broeders gedaan hebben, dat hebben jullie voor Mij gedaan”. Hijzelf noemt alle mensen Zijn broeders. En Hij wil dat de mensen op aarde als broeders met elkaar omgaan. Hij wil daaraan hun liefde voor Hem afmeten.
Maar de mensen luisteren niet naar Zijn stem. Ze schenken geen aandacht aan Zijn woord en gaan in liefdeloosheid aan de nood van de medemensen voorbij. En dus moeten ze dezelfde nood te voelen krijgen. Ze moeten hetzelfde lot te dragen hebben. Het lijden moet een ieder vormen, als hij nog tot verandering in staat is en ze moeten leren om de naasten als broeders te beschouwen en elkaar te dienen.
Maar dit kan alleen grote aardse nood nog maar tot stand brengen en daarom moet God zoiets over de aarde laten komen, opdat in de mensen de liefde opgewekt wordt en het geestelijke verval voorkomen wordt, waar nog de mogelijkheid van een wilsverandering bestaat. En dat moet door de komende tijd, die nog eindeloos veel leed brengen zal, tot stand gebracht worden, omdat de mensheid anders niet meer tot liefde geleid kan worden en zonder die liefde gaat ze geheel verloren.
En dit valt binnenkort te verwachten. Want de mensheid verwijdert zich steeds meer van God en ze kan alleen nog maar langs de weg van een groot leed naar God teruggeleid worden, als ze nog niet geheel aan de tegenstander van God vervallen is en verder in de liefdeloosheid volhardt.
Maar dan is ook het moment van het gericht niet ver meer weg. De dag, waar er een definitieve scheiding komt tussen het goede en het kwade. Tussen degenen, die in de liefde leven, die God als hun Heer erkennen en de aanhangers van de wereld, die van elke liefde gespeend zijn.
Amen
VertalerGottes Gebote werden mißachtet, und die Menschheit huldigt nur noch der Welt und also dem, der die Welt beherrscht. Und weil sie den Schöpfer des Himmels und der Erde nicht erkennt, weil sie nicht Dessen Willen erfüllt und sich Seinem Gegner unterordnet, geht sie dem Verderben entgegen, denn sie entfernt sich immer mehr von Gott und kann daher immer weniger bedacht werden mit Seiner Kraft.... Kraftlosigkeit aber ist Untergang.... Kraftlosigkeit ist unsagbar schmerzlich für das Geistige, das seinen Entwicklungsgang nicht fortsetzen kann, sondern gefesselt bleibt, weil es sich ohne die Kraftzufuhr aus Gott nicht befreien kann. Die Entfernung von Gott aber ist gleichbedeutend mit Kraftentziehung und also leblosem Zustand, der dem Wesen erst zum Bewußtsein kommt nach Beendigung des Erdenlebens. Es ist eine unsagbar traurige Zeit für das Geistige, das der verkehrte Wille des Menschen im gebundenen Zustand verharren läßt, und Ursache dieser geistigen Not ist die Lieblosigkeit.... das Handeln der Menschen gegen die göttlichen Gebote.... Es wird zu wenig Liebe geübt am Nächsten, doch die Ich-Liebe wird vergrößert und daher auch die Liebe zur Welt verstärkt, und es kann darum nicht besser werden auf der Erde, es kann den Menschen nicht das Leid erspart bleiben, weil sie selbst es so wollen. Und eine solche Zeit der Lieblosigkeit bedingt den Eingriff Gottes, weil Seiner Gebote nicht mehr geachtet wird. Gott fordert von den Menschen Liebe zum Nächsten, und Er sieht daran auch die Liebe zu Sich Selbst.... "Was ihr dem geringsten Meiner Brüder tut, das habt ihr Mir getan...." Er Selbst nennt alle Menschen Seine Brüder.... Und Er will, daß die Menschen auf Erden wie Brüder aneinander handeln. Er will daran ihre Liebe zu Ihm ermessen. Und es hören die Menschen nicht auf Seine Stimme, sie beachten Sein Wort nicht und gehen in Lieblosigkeit an der Not des Mitmenschen vorüber. Und also sollen sie die gleiche Not zu spüren bekommen, sie sollen das gleiche Los zu tragen haben, es soll einen jeden das Leid gestalten, so er noch wandlungsfähig ist, und sie sollen den Nächsten als Bruder ansehen lernen und einander dienen. Dieses kann aber nur noch große irdische Not zuwege bringen, und darum muß Gott solche über die Erde gehen lassen, auf daß in den Menschen die Liebe erweckt werde und der geistige Verfall verhütet wird, wo noch die Möglichkeit einer Willensänderung in Frage kommt. Und das soll die kommende Zeit zuwege bringen, die noch unendlich viel Leid bringen wird, weil anders die Menschheit nicht mehr zur Liebe geführt werden kann und ohne die Liebe sie gänzlich verlorengeht. Und dies ist zu erwarten in kurzer Zeit.... Denn es entfernt sich die Menschheit immer mehr von Gott, und sie kann nur noch auf dem Wege großen Leides zu Gott zurückgeführt werden, wenn sie noch nicht gänzlich dem Gegner Gottes verfallen ist und weiter in der Lieblosigkeit verharrt. Doch dann ist auch die Stunde des Gerichtes nicht mehr weit, der Tag, wo eine endgültige Scheidung ist zwischen Gut und Böse.... zwischen denen, die in der Liebe leben, die Gott als ihren Herrn anerkennen, und den Anhängern der Welt, die jeglicher Liebe bar sind....
Amen
Vertaler