B.D.-Nr. 2487
De gave van de welbespraaktheid wordt aan al dezen gegeven, die voor God willen strijden, als ze nodig zijn in de geloofsstrijd. Want ze zullen met het zwaard van hun mond ten strijde trekken tegen de vijanden van het geloof. Ze zullen getuigenis af moeten leggen van de waarheid van het goddelijke woord. Ze zullen zich voor Jezus Christus als Gods Zoon en Verlosser van de wereld in moeten zetten en Zijn naam moeten bekennen voor de hele wereld.
En daarom zullen ze zonder schroom moeten spreken, want het zal het enige wapen zijn van degenen, die zich hiervan mogen bedienen, maar ze kunnen verwachten voortdurend goddelijke hulp te krijgen, want God verlaat Zijn dienaren, die zich bereid verklaren om voor Hem te strijden, niet. En zo zal Hij hun de juiste woorden in de mond leggen en ze zullen kunnen spreken en elk woord zal overtuigend klinken en ook allen, die ernstig naar de waarheid verlangen, overtuigen. En ze zullen alles kunnen staven en het daarom voor de mensen gemakkelijker maken om te geloven, als ze daar maar de wil voor op kunnen brengen. En ze zullen hun tegenstanders met woorden verslaan. Ze zullen alle tegenwerpingen overtuigend kunnen weerleggen en daarom ook aanhangers vinden, die aan de woorden geloof schenken en nu naar het leger van de strijders van God overgaan.
En degenen die voor God strijden, zullen ook altijd de overwinnaars blijven, ofschoon het er eerst op lijkt, dat de tegenstander de overhand heeft. Want God leidt Zijn strijders op en als ze nu volgens Zijn wil spreken, zijn ze er ook toe geroepen om voor Zijn naam te strijden. Want God Zelf leidt Zijn strijders in de strijd. Hij bedient Zich van hen om door hun mond te spreken en de mensen tot het geloof te leiden.
Amen