B.D.-Nr. 2486

De lichtsterkte van de lichtwezens – Omhulling

In de geestelijke wereld komt de kennis van een wezen met zijn staat van rijpheid overeen. Dat wil zeggen dat zodra het wezen zich op aarde of in het hiernamaals door een werkzaam zijn in liefde tot volmaaktheid gevormd heeft, hem door de geestelijke kracht wijsheid toestroomt. Hij heeft kennis van alles in de schepping, van het besturen en werkzaam zijn van God in het geestelijke rijk en van doel van al het wezenlijke. Hij is wetend geworden en zijn toestand is zodoende een toestand van licht.

Maar omdat nu de volmaaktheidsgraad verschillend kan zijn, zullen de wezens zich ook in verschillende gradaties van licht bevinden. Zodoende zijn ook de sferen in het geestelijke rijk niet hetzelfde. Dat wil zeggen dat de uitstraling van licht, die van de wezens uitgaat, een verschillende lichtkracht heeft. Bijgevolg is ook het effect op de wezens zonder licht verschillend. Dit effect kan zo sterk zijn, dat de wezens zonder licht de overvloed van licht niet kunnen verdragen. Dat wil zeggen dat de geestelijke substanties hierdoor volledig opgelost zouden kunnen worden en dit dus een ongehinderd werkzaam zijn van deze lichtwezens onmogelijk maakt.

Het werkzaam zijn van de lichtwezens bestaat in het onderwijzen van degenen, die volledig zonder kennis zijn. Het lichtwezen moet zich dus aan de toestand van de wezens zonder licht aanpassen. Het mag niet met zijn gehele lichtsterkte in de nabijheid van deze wezens komen, maar deze moet als het ware zijn licht temperen, zodat het wezen zonder licht niet verblind wordt en nu voor het in ontvangst nemen van het licht, dat wil zeggen de kennis, geheel ongeschikt wordt.

Dat aanpassen aan de donkere staat is er vooreerst voor nodig, zodat het wezen elke schroom ontnomen wordt en het zich zonder geremdheid ervan kan ontdoen, want pas dan kunnen de lichtwezens succesvol werkzaam zijn. Ze moeten hun overvloed aan licht temperen. Ze moeten dit in een omhulsel verbergen, opdat ze de zielen, die behoefte aan licht hebben, zonder gevaar naderbij kunnen komen.

Toch bevinden ze zich in een helderder licht dan deze zielen, om de weldaad van het licht naar hen uit te kunnen laten stralen. Zodra nu de ziel zonder licht de weldaad voelt, wat ook nog van haar wil om licht te ontvangen afhankelijk is, zal ze ook gehoor schenken aan de denkbeelden van de lichtwezens en steeds weer naar hun voedsel verlangen. Ze zal ook hun leringen op zich in laten werken en er nu eveneens gebruik van maken, doordat ze de nu verworven kennis doorgeeft aan eveneens naar licht behoeftige en dus lijdende zielen. Want het ontbreken van licht is een toestand van lijden. Een toestand van gebrek en onbehagen, die de ziel als kwellend ervaart.

Hoe meer de ziel zich er mee belast om de net zo lijdende zielen te helpen, des te bereidwilliger zijn ook de lichtwezen, die nu steeds helderder en stralender degenen naderen, die willen ontvangen en hun licht en kracht, dat wil zeggen goddelijke wijsheid, geven. Al naar gelang deze kennis is nu ook de graad van licht van de ziel toegenomen, want kennis is licht, dat in het hiernamaals, in het geestelijke rijk, in een stralendere helderheid en lichtsterkte tot uiting komt.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.