De mensheid verlangt niet naar geestelijke voeding en dit is een teken van zelfverheffing, want ze voelt zich sterk en zeker, zodat ze gelooft geen enkele toevoer van kracht nodig te hebben. Ze heeft geen honger naar geestelijk voedsel, omdat ze niets tekortkomt. En ze komt niets tekort, omdat ze zich tevredenstelt met wat ze bezit en omdat ze ook niet de weldaad kent van dat, waar ze recht op heeft, maar wat haar niet ongevraagd gegeven kan worden, omdat ze de genade van God niet waardeert als dat, wat het is.
Want het is een genade, als hun iets aangeboden wordt, wat kracht en sterkte betekent voor iedereen, die zich zwak en klein voelt. Maar de mensheid voelt alleen maar de lichamelijke zwakten, noden en zorgen en ze gelooft niet dat ze deze met geestelijk voedsel, met het woord van God, uit de wereld kan helpen, want het ontbreekt haar aan het geloof in deze kracht. Het ontbreekt haar aan het geloof in het effect van het goddelijke woord en dus ook in de kracht, die de mens voor zijn ziel kan putten uit het goddelijke voedsel. En daarom schenkt ze ook geen aandacht aan dit voedsel, dat haar in de vorm van het goddelijke woord aangeboden wordt. Ze geringschat het goddelijke woord en de ziel moet honger en gebrek lijden, ofschoon aardse rijkdom de mens omgeeft.
Wat de ziel nodig heeft, is volledig onafhankelijk van aardse vervulling. Ze kan te midden van rijkdom en bezit gebrek lijden, maar ze kan in de grootste aardse armoede rijkelijk bedacht worden, wanneer ze geestelijk voedsel, het geschenk van God dat de ontwikkeling van de ziel bevordert, in ontvangst neemt. En daarom moeten aardse goederen niet te hoog gewaardeerd worden, want ze kunnen ook hinderlijk voor de mens zijn bij zijn opwaartse ontwikkeling, wanneer ze niet goed gebruikt worden, wanneer ze de mens de geestelijke honger doet vergeten en de ziel daardoor benadeeld wordt.
Geestelijk voedsel, dat wil zeggen het uit enorme liefde aan de mens gegeven woord van God wordt alleen maar door diegenen begeert, voor wie aardse goederen waardeloos lijken en die daarom iets nastreven, wat onvergankelijk, dus van eeuwigheidswaarde is. Deze mensen hongeren naar het brood des levens. Zonder dit, lijden ze gebrek en hun verlangen is diep en innerlijk. En God stilt door Zijn woord zo’n honger. Hij geeft hun voedsel voor hun zielen. Hij voedt hen met geestelijke kost en lest hun dorst met het levende water, dat uit de lendenen stroomt van degene, die diep in het geloof en in de liefde staat.
En dit geestelijke voedsel zal de mensen ook gegeven worden, wanneer hun aards voedsel ontnomen wordt. Wanneer demonische invloeden de mensen ertoe brengen elkaar het voor het leven benodigde voedsel te ontnemen. Wanneer de liefdeloosheid van de mensen de hoogste graad bereikt heeft, zodat ze elkaar bestrijden tot het bitterste eind. Diegene, die een diep geloof het zijne noemt, zal het geestelijke voedsel ontvangen. Het woord van God, dat Hij gezegend heeft met Zijn kracht.
Amen
VertalerL’umanità non desidera il Nutrimento spirituale e questo è un segno dell’arroganza, perché si sente così forte e sicura che crede di non aver bisogno di nessun apporto di Forza. Gli uomini non hanno fame per il Cibo spirituale, perché a loro non manca nulla e questo perché si accontentano con ciò che possiedono e perché non sanno del beneficio di ciò che a loro spetta, ma non può essere dato senza averlo richiesto, perché non valutano la Grazia di Dio per ciò che è. Perché è una Grazia, quando a loro viene offerto qualcosa che significa Forza e Vigore per ognuno che si sente debole e piccolo. Ma l’umanità sente solo le debolezze, miserie e preoccupazioni terrene e crede di non poterle sospendere con il Cibo spirituale, con la Parola di Dio, perché le manca la fede nella sua Forza. Le manca la fede nell’effetto della Parola divina e con ciò anche la Forza che l’uomo può attingere per la sua anima dal Cibo divino. E perciò non bada a questo Cibo che le viene offerto nella forma della Parola divina, considera minima la Parola divina e l’anima deve soffrire la fame e languire, benché l’uomo sia circondato da ricchezza terrena. Ciò di cui l’anima ha bisogno è del tutto indipendente dall’esaudimento terreno, lei può languire in mezzo a ricchezza e possesso, ma può essere provvista nella più grande povertà terrena, quando riceve il Cibo spirituale, il Dono di Dio che promuove il suo sviluppo animico. E perciò i beni terreni non devono essere valutati troppo alti, perché possono anche essere d’ostacolo per l’uomo nel suo sviluppo verso l’Alto, quando non vengono valorizzati bene, quando fanno dimenticare all’uomo la fame spirituale e da ciò l’anima rimane svantaggiata. Il Cibo spirituale, cioè la Parola divina trasmessa agli uomini dall’ultragrande Amore di Dio viene desiderata solo da coloro che aspirano a qualcosa che è imperituro, quindi è di valore per l’Eternità. Costoro hanno fame per il Pane della Vita, languono senza questo ed il loro desiderio è profondo ed intimo; e Dio calma una tale fame tramite la Sua Parola. Egli dà loro il Nutrimento per le loro anime, le nutre con il Cibo spirituale e calma la loro sete con l’Acqua viva che defluisce dai fianchi di colui che sta profondamente nella fede e nell’amore. E questo Cibo spirituale verrà trasmesso anche agli uomini, quando a loro viene sottratto il cibo terreno, quando l’influenza demoniaca determina gli uomini reciprocamente a sottrarsi il cibo terreno necessario per la vita, quando il disamore degli uomini raggiunge il grado più alto che si combattono reciprocamente come nemici più acerrimi. Vivrà colui che chiama sua propria una profonda fede, perché lo conserverà il Cibo spirituale, la Parola di Dio, che Egli ha benedetto con la Sua Forza.
Amen
Vertaler