Het aardse leven is u gegeven om u los te maken uit de vorm. Wat dat betekent, valt voor u in het geestelijke rijk pas heel goed te begrijpen, waar elk omhulsel hinderlijk voor u is, omdat ze steeds een boei voor de geest betekent. En de geest blijft net zo lang gebonden, als er nog een aardse gedachte, een aards verlangen in de ziel aanwezig is, want dit is aan een bepaalde omgeving gebonden, die ze voor zichzelf door haar verlangen zelf schept.
De vrije geest daarentegen is heer over tijd en ruimte. Waar hij verblijven wil, daar is hij. Voor hem is elk geestelijk gebied toegankelijk, want zijn wil alleen is voldoende om hem daarheen te brengen, waar hij verblijven wil. Zijn wil kan alles tot stand brengen. Hij wordt door niets meer gehinderd en is zodoende volledig vrij. Hij heeft ook geen achteruitgang meer te vrezen, als hij eenmaal vrijgekomen is. Maar hij verwijdert zich ook niet helemaal van het nog in onvrijheid smachtend geestelijke, omdat hij in zichzelf aangespoord wordt om ook deze te helpen vrij te komen.
En de nog onvrije ziel voelt pas dan de weldaad van het vrij zijn, wanneer haar aardse verlangens beginnen af te nemen. Dan begint ook haar opwaartse gang, maar er kunnen eerst ondenkbaar lange tijden voorbijgaan, waarin ze niets doet om vrij te komen uit de vorm, die weliswaar niet meer uit aardse materialen bestaat, maar de ziel precies zo belast, dat ze deze als dwang of druk ervaart. Ze moet vaak lastige wegen gaan, waarvan ze gelooft deze nauwelijks te kunnen overwinnen. Ze moet ontberingen doorstaan, ofschoon ook op een andere manier dan op aarde, maar het lijden bedrukt haar niet minder dan op aarde.
En deze smartelijke toestand had ze op aarde gemakkelijk af kunnen wenden, want haar waren mogelijkheden gegeven om vrij te komen uit de vorm. Dit bewustzijn is kwellend en doet haar pijn toenemen, want ze beseft wel haar staat van lijden, maar niet op welke manier ze zich er ook in het hiernamaals van kan bevrijden.
Want deze kennis is pas het gevolg van haar wil om te willen helpen. Pas wanneer ze geen aandacht schenkt aan haar eigen lijden en de nood van de meevoelende ziel haar ter harte gaat. Wanneer ze deze zou willen helpen, wordt het duidelijk voor haar dat dit de enige weg is om ook zelf vrij te komen. Dat het werkzaam zijn in liefde ook in het hiernamaals succesvol is om de duistere omgeving te verlichten en in een iets lichtere omgeving te komen en het wordt lichter en vrijer voor de ziel, naarmate ze nu bereidwilliger is om de andere lijdende zielen te helpen.
Het vrije geestelijke helpt haar, doordat het de ziel onderwijst en haar adviezen geeft, maar zonder zelf herkend te worden in zijn overvloed aan licht, want net als op aarde moet de opwaartse gang uit volledig vrije wil nagestreefd worden en elke dwang moet geëlimineerd worden. En het vrije geestelijke laat de lijdende zielen niet in hun nood achter, maar het probeert hen te helpen, waar en hoe dit maar mogelijk is.
Amen
VertalerEs ist das Erdenleben euch gegeben zur Loslösung aus der Form.... Was das bedeutet, wird euch erst im geistigen Reich so recht verständlich, wo euch jegliche Hülle hinderlich ist, weil sie immer eine Fessel des Geistes bedeutet. Und gefesselt ist der Geist so lange, wie noch ein irdischer Gedanke, ein irdisches Verlangen in der Seele ist, denn diese ist an eine bestimmte Umgebung gebunden, die sie sich durch ihr Verlangen selbst schafft. Der freie Geist dagegen ist Herr über Zeit und Raum. Wo er weilen will, dort ist er; ihm ist geistiges Gebiet zugänglich, denn sein Wille allein genügt, um ihn dorthin zu versetzen, wo er weilen will. Sein Wille kann alles zuwege bringen, er ist durch nichts mehr gehindert, also völlig frei. Er hat auch keinen Rückgang mehr zu fürchten, so er einmal frei geworden ist, entfernt sich jedoch nicht gänzlich von dem noch in der Unfreiheit schmachtenden Geistigen, weil es ihn drängt, auch diesem zur Freiheit zu verhelfen. Und die noch unfreie Seele spürt dann erst die Wohltat des Freiwerdens, wenn ihr irdisches Verlangen nachzulassen beginnt.... Dann beginnt auch ihr Aufstieg, zuvor aber können undenklich lange Zeiten vergehen, wo sie nichts unternimmt, um frei zu werden aus der Form, die zwar nicht mehr aus irdischen Stoffen besteht, jedoch die Seele genau so belastet, daß sie diese als Zwang oder Druck empfindet. Sie muß oft beschwerliche Wege gehen, die sie kaum zu überwinden glaubt, sie muß Entbehrungen ertragen, wenn auch in einer anderen Weise als auf Erden, jedoch das Leid drückt sie nicht weniger wie auf Erden. Und diesen leidvollen Zustand hätte sie leicht auf Erden sich abwenden können, denn ihr waren die Möglichkeiten gegeben, frei zu werden aus der Form.... Dieses Bewußtsein ist quälend und erhöht ihre Pein, denn sie erkennt wohl ihren Leidenszustand, nicht aber, in welcher Weise sie sich auch im Jenseits davon noch befreien kann. Denn diese Erkenntnis ist erst die Folge ihres Willens, helfen zu wollen; erst wenn sie ihr eigenes Leid unbeachtet läßt und ihr die Not der mitleidenden Seele zu Herzen geht, wenn sie denen helfen möchte, wird es ihr klar, daß dies der einzige Weg ist, auch selbst frei zu werden, daß das Liebeswirken auch im Jenseits erforderlich ist, um die finstere Umgebung zu erhellen und in etwas lichtvollere Gegenden zu kommen, und es wird der Seele leichter und freier, je williger sie nun ist, den anderen leidenden Seelen zu dienen.... Das freie Geistige steht ihr bei, indem es die Seele unterweiset und ihr Ratschläge gibt, doch selbst unerkannt seiner Lichtfülle, denn genau wie auf Erden muß der Aufstieg zur Höhe aus völlig freiem Willen angestrebt werden, und jeder Zwang muß ausgeschaltet sein. Doch das freie Geistige läßt die leidenden Seelen nicht in ihrer Not, sondern es sucht ihnen zu helfen, wo und wie es nur angängig ist....
Amen
Vertaler