B.D.-Nr. 2576
De goddelijke krachtstroom, die door een mens op anderen overgedragen wordt, zal nooit zonder effect blijven, als daar niet bewust tegen gestreden wordt. Deze zal zich een weg banen en het zal ook een geringe weerstand spoedig zwakker doen worden en er zullen zo menige mensen zijn, die bereid zijn om op te nemen, waar ze zich er eerst voor af wilden sluiten. En als de kracht uit God eenmaal in actie komt, moet ze die zielen opwaarts leiden, die zich aan haar uitwerking overgeven.
De goddelijke toestroom zal ook als weldadig ervaren worden, omdat deze als een licht een stralend helder schijnsel verspreidt in het hart van de mens, omdat zijn gedachten geordend worden en hem met deze krachtstroom het vermogen van het inzicht toegestuurd wordt, zodat hij nu helder en duidelijk het verband van dat ziet, wat eerst nog duister, dat wil zeggen onopgehelderd, was.
De mens hoeft alleen maar te willen en hij wordt vervuld van de kracht van God, die hem in menigerlei vormen toestroomt: in een toegenomen kennis, in een sterker geloof of in een toegenomen werkzaam zijn in liefde. Zijn wil wordt door God gegrepen en goed geleid, zodra zijn innerlijke toestemming daaraan voorafgegaan is om zich door God te laten leiden. Enkel de overgave aan de wil van God is bevorderlijk om Diens kracht in ontvangst te kunnen nemen en dan is de mens tot alles in staat en is zijn opwaartse ontwikkeling gegarandeerd.
De mensen moeten zonder de goddelijke krachttoevoer strijden in hun zwakheid en als ze zichzelf niet openen, wil God hen door een middelaar de kracht toesturen, hetgeen weliswaar ook de wil om te ontvangen vooropstelt, maar vaak makkelijker mogelijk is, dan dat de mens zichzelf in staat stelt om de rechtstreekse krachtstroom uit God op te nemen. Want het geloof van de mensen is nog te zwak en hun geloof moet eerst sterker gemaakt worden.
Want een bewust opwaarts streven kan alleen maar ten uitvoer gebracht worden met voortdurende ondersteuning van God, dus met een voortdurende overdracht van kracht. En deze kracht stroomt de mensen toe door het woord van God, dat Hij hun Zelf aanbiedt als krachtbron, waaruit ze onophoudelijk kunnen putten. Licht en wijsheid, de sterkte van het geloof, kracht om weerstand te bieden tegen alle verzoekingen en het volste vertrouwen in God.
De mens heeft deze toevoer van kracht nodig, omdat hijzelf te zwak is, maar deze wordt afhankelijk gemaakt van zijn bereidwilligheid om de krachtstroom in ontvangst te nemen. En waar er niet bewust naar verlangd wordt, brengt God Zichzelf in de nabijheid van de mens om het verlangen naar Hem en Zijn kracht in de mens op te wekken. En daar heeft Hij een middelaar voor nodig, die voor Hem spreekt en voor Hem handelt. Die hem de wil om lief te hebben van God bekendmaakt, Zijn schenking van kracht, die als het ware als ontvanger de liefdesuitstraling van God, Zijn goddelijke krachtstroom, opneemt en deze probeert door te geven aan zijn medemensen, opdat ook in hen de goddelijke kracht actief kan worden.
Amen