B.D.-Nr. 2733
Wat voor de mens zichtbaar is, laat een bepaalde wetmatigheid zien, wat door hem echter als vanzelfsprekend beschouwd wordt, omdat hij niets anders kent. Het ontstaan en vergaan van alle dingen kan dus al in zijn verschillende fasen doorgrond worden. Dat wil zeggen dat de mens elke gebeurtenis van de ontwikkeling en het wordingsproces van alle dingen die zichtbaar voor hem zijn kent, zodra hij er aandacht aan schenkt. Deze wetmatigheid maakt het onderzoeken voor de mensen dus makkelijker, want daaruit kunnen ze conclusies trekken en hierop hun kennis weer voortbouwen.
Maar de mensen dringen alleen maar de natuurwetten binnen. Ze zien alleen maar dat het zo is, maar niet waarom het zo is, zoals het is. Ze beschouwen de natuurlijke gevolgen weliswaar als doel of zin van de oorzaak, maar weten niet dat zowel de oorzaak alsook het doel van elke wetmatigheid alleen maar geestelijk te zoeken en te vinden is, dat de geestelijke ontwikkeling van al het natuurlijke zijn wetmatigheid met zich meebrengt. En ook het geestelijke leven verloopt volgens een bepaalde wetmatigheid. Dat wil zeggen dat er slechts één wil geldt in het geestelijke rijk en overeenkomstig deze wil voltrekt zich het geestelijke werkzaam zijn in het totale universum, in het aardse en het geestelijke rijk.
En omdat deze wil met een niet te overtreffen wijsheid gepaard gaat, moet deze ook constant zijn. Dat wil zeggen dat deze niet voortdurend kan wisselen, omdat dit niet met de niet te overtreffen wijsheid van God in overeenstemming zou zijn. En daarom is ook in het geestelijke rijk de voortdurende opwaartse ontwikkeling aan een bepaalde wetmatigheid onderworpen en dat het puur geestelijk begrepen moet worden, dat alles zich in een door God gewilde ordening voltrekt en het geestelijk rijk dus het toppunt van volmaaktheid is, zodra het geestelijke zich aan deze orde onderwerpt, zich zodoende de wil van God eigen gemaakt heeft.
De aardse schepping is een tot vorm geworden idee van God, dat het onvolmaakt geestelijke de goddelijke ordening binnen moet leiden. Het moet de gang door al de scheppingswerken gaan, om zich dus gedwongen te schikken in de goddelijke ordening, omdat het de wetmatigheid van de natuur niet ongedaan kan maken, zoals de mens zulks ook niet tot stand brengt, zelfs wanneer hij werken van vernietiging verricht, die een overtreding zijn tegen de goddelijke ordening. Tegen de wil van God. Maar hij is niet in staat om natuurwetten ongedaan te maken of op te heffen.
In het geestelijke rijk kan het geestelijke eveneens door zijn weerspannigheid zichzelf van de goddelijke ordening buitensluiten, dus ook ver van God af staand binnen de eigen wil blijven. Maar het zal dan nooit volmaakt worden, dus bij het geestelijke rijk kunnen horen, dat gelukzaligheid en volmaakte harmonie betekent, omdat de goddelijke wil en de goddelijke ordening dit geestelijke rijk regeren, maar het zal zichzelf afzonderen en toch weer door de goddelijke wil gedwongen worden om in een bepaalde wetmatigheid een verdere ontwikkelingsgang af te leggen, totdat het zich uiteindelijke vrijwillig in de goddelijke orde schikt.
De scheppingen in de natuur op aarde geven er het beste bewijs van, dat alles moet vergaan, wat zich tegen de goddelijke natuurwet verzet. De wetten van de natuur zijn onverbiddelijk en waar er geen acht op geslagen wordt, zijn meestal dood en ontbinding het gevolg. En het is daarom, dat de mens zich ook bewust wordt, dat niets willekeurig is, maar dat er een wil boven alles staat, die in elk scheppingswerk, dat wil zeggen in zijn wetmatigheid, tot uiting komt en gerespecteerd moet worden. En dat deze wetmatigheid in de diepste wijsheid en liefde van God zijn grondslag heeft, omdat deze in zekere zin de voorwaarde tot volmaaktheid is.
Amen