B.D.-Nr. 2527
Talloze zielen moeten de ontwikkelingsgang op aarde nog een keer afleggen en het ergste is, wat deze zielen nog te wachten staat, omdat ze al een leven in een bepaalde vrijheid geleid hebben en ze nu opnieuw geboeid worden in de vaste vorm. Dit laatste is zo martelend, dat de eeuwige Godheid medelijden heeft en Zij alle middelen aanwendt om deze zielen de hernieuwde gang door de aarde te besparen.
Maar één ding moet God aan de mensen overlaten: de vrije wil. En daarom kan Hij de zielen niet gedwongen opwaarts leiden, maar de opwaartse ontwikkeling blijft aan de wil van de mens overgelaten en deze wil wendt zich meestal van het geestelijke doel af, wat in zijn puur aards leven tot uitdrukking komt. Een leven, dat geheel zonder God geleid wordt. Zo’n leven kan de ziel geen opwaartse ontwikkeling opleveren en als ze het aardse leven in een onveranderde lage staat van rijpheid beëindigt, dan zal ook de opwaartse ontwikkeling in het hiernamaals in twijfel getrokken kunnen worden.
Het gevaar bestaat dat de ziel zich negatief ontwikkelt en zich dus steeds verder van God verwijdert. Dat wil zeggen dat het geestelijke zich verhardt en met zijn verdere ontwikkeling ten doel weer in de vaste vorm gebonden wordt om de gang over de aarde nogmaals af te leggen, weer tot het stadium als mens, waar hem de vrije wil weer gegeven wordt. Het moet aan de mens overgelaten blijven, hoe hij zich ten opzichte van de ontwikkeling van zijn ziel opstelt. Maar overeenkomstig hiermee zijn ook de gevolgen, zowel in het aardse leven alsook in het leven in het hiernamaals.
Een herhaalde gang door de schepping te moeten gaan, is zo vreselijk, dat God probeert om de mens op een andere manier naar kennis te leiden en tegelijkertijd diens wil op Hem te doen richten, opdat de ziel bij de binnenkomst in het hiernamaals al een verlangen naar Hem heeft, want dit verlangen is nodig om door God opgenomen te worden.
En daarom laat God iets over de wereld komen, wat de mensen toevlucht laat zoeken bij de hemelse Vader, opdat ze een verlangen naar Hem krijgen en ze nu overeenkomstig dit verlangen bedacht kunnen worden. En toch zal ook deze catastrofe slechts een gering deel van de mensen tot ontwaken brengen. Slechts een gering deel zal de rest van zijn leven serieus benutten. En zodoende zullen talloze zielen de gang door de schepping weer af moeten leggen, als de mensen niet meer aan hun ziel denken en dus de lange gang over de aarde tevergeefs afleggen, zodat ze nu op dezelfde trede van ontwikkeling staan, als bij het begin van hun belichaming als mens.
Amen