B.D.-Nr. 2446a

Wijsheid zonder liefde is ondenkbaar – Onvergankelijke kennis

Om wijs te worden, moet de mens absoluut in de liefde staan. Er moet absoluut een werkzaam zijn in liefde aan voorafgaan, als de mens de goddelijke wijsheid wil ontvangen. De wijsheid zonder liefde is ondenkbaar, om welke reden de mens, die meent wijs te zijn, zich vergist, als het hem aan liefde ontbreekt. Dit is het eerste waar aandacht aan geschonken moet worden, als de medemens een juist oordeel wil vellen over de waarde of waardeloosheid van wat de mens aan kennis gelooft te bezitten.

De wijsheid zal enkel daar te verwachten zijn, waar de schepper, de gever hiervan, zelf wijs is. Waar wijsheid overgedragen kan worden, omdat de Gever de wijsheid Zelf is. Alle wijze gedachten zijn dus uitstralingen van Degene, Die in Zichzelf liefde is, om welke reden deze gedachten ook weer door een liefhebbend hart in ontvangst genomen moeten worden, omdat ze anders niet als wijsheden ervaren worden. Want de wijsheid is iets geestelijks, die weer alleen maar door de geest in de mens in ontvangst genomen kan worden. Maar de geest in de mens treedt alleen maar dan in werking, als het door een werkzaam zijn in liefde daartoe aangespoord wordt.

Zonder de liefde is alles dood, ook de zogenaamde kennis, die alleen maar aardse zaken aanroert, die zonder geestelijke waarde zijn of een onjuiste kennis is, die nooit als wijsheid bestempeld kan worden. De mensen kunnen wel een wereldse kennis de hunne noemen, hetgeen ook met de waarheid overeenkomt, maar die juist alleen maar zaken aanroert, die volledig onbelangrijk zijn voor de ziel. Dat wil zeggen voor de opwaartse ontwikkeling, maar deze kennis houdt met de dood op te bestaan. Het is dus vergankelijk en zonder waarde voor de eeuwigheid. Maar enkel dit zal voor de wereld als kennis gelden, omdat het met bewijzen gestaafd kan worden, dus in zekere zin onaantastbaar is. En geestelijke kennis wordt om deze reden niet erkend, omdat daarvoor geen bewijzen geleverd kunnen worden.

Maar enkel die mens is wijs, die geestelijke kennis de zijne noemt, want hij neemt het mee naar de eeuwigheid. Een onbaatzuchtig werkzaam zijn levert hem wijsheid op, omdat beiden goddelijk zijn en wat uit God komt, kan ook nooit vergaan. Hoe inniger de mens zich door een werkzaam zijn in liefde met God verbindt, des te meer kennis hij moet krijgen, omdat goddelijke geschenken hem nu toestromen, die onbeperkt aangeboden en ontvangen kunnen worden. En zodoende wordt de mens nu wijs, omdat hij in de liefde staat.

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.