B.D.-Nr. 2431
Zolang de mens zich nog in de afweerhouding tegen God en de goede krachten bevindt, ontbreekt het hem ook aan kracht om een God welgevallige manier van leven te leiden, want hij is dan ook niet in staat om in liefde werkzaam te zijn en dus zonder krachtstroom. Maar uit eigen kracht kan hij zich niet positief ontwikkelen, want dit moet de liefde verrichten, die hem weer liefde, dat wil zeggen kracht uit God, schenkt. Dan zal een werkzaam zijn in liefde altijd een naderen tot God betekenen, maar zonder een werkzaam zijn in liefde zal de Godheid onbereikbaar zijn, dus de mens zal zich op grote afstand van God bevinden. Krachteloosheid is er dus de oorzaak van, als de mens zijn leven niet overeenkomstig de wil van God leidt. Hij wordt nog in de ban gehouden door de tegenstander, die het verhinderen wil, dat hij zich naar God toekeert.
Maar deze invloed op de mens wordt door God toegelaten, omdat de wil van de mens vrij moet kiezen voor God of voor Diens tegenstander. Want hoezeer hij ook nog belaagd wordt, zijn wil blijft vrij en als hij voortdurend zwakker wordt, dan is dat alleen zijn eigen schuld, omdat hij deze vrije wil niet op de juiste manier gebruikt. Hij kan elke zwakte zelf uit de weg ruimen door het gebed om kracht. Maar dan moet hij zich tot God keren. Hij moet zich dus tot Hem en van de tegenstander van God afkeren. Dan stroomt de kracht naar hem toe en nu kan hij ook ten goede werkzaam worden door deze kracht.
De krachteloze toestand is de tegenstander van God welkom. Hij vindt geen tegenstand, als hij de mens tot zaken aanzet, die in strijd zijn met de wil van God. En het ontbreekt hem volledig aan de wil om goede daden te verrichten. Zolang hij dus onder invloed staat van de tegenstander, helpt alleen het gebed hem en hij zal net zo lang moeten strijden met de zwakte van zijn wil, totdat hij uit het diepste van zijn hart God aanroept om hulp. Als hij de weg naar God neemt, dan wordt hij geholpen, want nu bewijst hij zijn wil om zich bij God aan te sluiten en zich van de invloed van Zijn tegenstander vrij te maken. En er wordt hem hulp gezonden.
Een vurig gebed blijft nooit onverhoord en daarom helpt een vurig gebed in alle nood, voor wat de ziel en het aardse betreft. Want nu wordt hem de kracht toegestuurd en zijn gang over de aarde, zijn handelen en denken worden door God gezegend. Alleen de wil wordt maar geëist. Geen mens wordt hulpeloos aan zichzelf overgelaten, als hij maar naar hulp verlangt.
Maar om een verzoek om hulp te doen, moet God als een almachtig en liefdevol Wezen erkend worden en dit doet de mens, als hij Hem om hulp vraagt. Een meer smekende gedachte, vuriger te bidden om ondersteuning, om hulp tegen de zwakte van de wil, is al genoeg om hem de kracht toe te laten sturen. Dit is de strijd, die het wezen op aarde moet voeren. Dit is het worstelen met de boze macht om God naderbij te komen. Dit is het kiezen van de vrije wil voor of tegen God.
Amen