B.D.-Nr. 2432
Niets kan de goddelijke genade vervangen. Hoe onmetelijk rijk de mens is, die God Zijn hulp, Zijn genade verleent, herkent hij pas bij zijn sterven aan de rijpheidsgraad van zijn ziel, die overeenkomstig deze genadeschenking, of beter gezegd het gebruik ervan, is. De hoeveelheid genade, die hem op aarde toegestuurd wordt, bepaalt de mens door zijn wil, want van God uit staat de genade hem onbeperkt ter beschikking. Maar in hoeverre hij daar gebruik van maakt, wordt geheel aan zijn wil overgelaten. Bijgevolg kan hij zelf zijn graad verhogen als hij de goddelijke genade gebruikt. Dat wil zeggen dat hij onophoudelijk een beroep op de hulp van God kan doen en daardoor geestelijk kan rijpen.
Maar zonder de goddelijke genade blijft hij op dezelfde trede van zijn ontwikkeling staan en hij ervaart dit aan het einde van zijn leven als een toestand van armoede en onrijpheid van de ziel. Want zonder genade is hij tot niets in staat. Alles wat hem ontbreekt, wordt hem door Gods liefde toegestuurd en dat is genade. Het is een geschenk, waar de mens geen gebruik van hoeft te maken, maar die de liefde van God hem toestuurt om hem te helpen. En waar de mens op één of andere manier hulp nodig heeft, daar staat de liefde van God klaar om hem deze te verlenen, als de mens een verzoek om goddelijke genade doet.
Maar aan dat laatste wordt geen aandacht geschonken. God deelt onbeperkt uit en de mens kan onbeperkt ontvangen, maar slechts zelden schenkt hij aandacht aan het genadegeschenk en daarom blijft hij zwak en onbekwaam om zich geestelijk opwaarts te ontwikkelen, waar hij altijd zou kunnen putten uit de goddelijke genadebron. En het is een kwellende staat van berouw als hij in het hiernamaals beseft, welke rijkdom hij verspeeld heeft door zijn wil. Wanneer hij beseft hoe weinig hij de hulp van God gewaardeerd heeft en hoe weinig hij Zijn liefdesgeschenk, de goddelijke genade, aandacht geschonken en ernaar verlangd heeft.
Maar nooit kan hem de genade toegestuurd worden zonder zijn verlangen. En daarom is de mens zelf verantwoordelijk voor de rijpheid van zijn ziel, die hij zonder moeite kan bereiken, als zijn wil om de goddelijke genade verzoekt, maar die hem niet gegeven wordt, als zijn wil faalt. Hij is zelf verantwoordelijk voor het gebrek aan geestelijke rijkdom, omdat hij deze zelf verspeeld heeft, zolang de goddelijke genade hem ter beschikking stond, want er is niets, wat deze kan vervangen. Er bestaat niets, wat hem geestelijke rijkdom oplevert, wanneer hij geen beroep doet op de hulp van God, Zijn genade. De mens op aarde is krachteloos en hij is niet in staat om zich opwaarts te ontwikkelen, want de hulp van God is onvervangbaar.
Amen