Zolang de mens zich nog in de afweerhouding tegen God en de goede krachten bevindt, ontbreekt het hem ook aan kracht om een God welgevallige manier van leven te leiden, want hij is dan ook niet in staat om in liefde werkzaam te zijn en dus zonder krachtstroom. Maar uit eigen kracht kan hij zich niet positief ontwikkelen, want dit moet de liefde verrichten, die hem weer liefde, dat wil zeggen kracht uit God, schenkt. Dan zal een werkzaam zijn in liefde altijd een naderen tot God betekenen, maar zonder een werkzaam zijn in liefde zal de Godheid onbereikbaar zijn, dus de mens zal zich op grote afstand van God bevinden. Krachteloosheid is er dus de oorzaak van, als de mens zijn leven niet overeenkomstig de wil van God leidt. Hij wordt nog in de ban gehouden door de tegenstander, die het verhinderen wil, dat hij zich naar God toekeert.
Maar deze invloed op de mens wordt door God toegelaten, omdat de wil van de mens vrij moet kiezen voor God of voor Diens tegenstander. Want hoezeer hij ook nog belaagd wordt, zijn wil blijft vrij en als hij voortdurend zwakker wordt, dan is dat alleen zijn eigen schuld, omdat hij deze vrije wil niet op de juiste manier gebruikt. Hij kan elke zwakte zelf uit de weg ruimen door het gebed om kracht. Maar dan moet hij zich tot God keren. Hij moet zich dus tot Hem en van de tegenstander van God afkeren. Dan stroomt de kracht naar hem toe en nu kan hij ook ten goede werkzaam worden door deze kracht.
De krachteloze toestand is de tegenstander van God welkom. Hij vindt geen tegenstand, als hij de mens tot zaken aanzet, die in strijd zijn met de wil van God. En het ontbreekt hem volledig aan de wil om goede daden te verrichten. Zolang hij dus onder invloed staat van de tegenstander, helpt alleen het gebed hem en hij zal net zo lang moeten strijden met de zwakte van zijn wil, totdat hij uit het diepste van zijn hart God aanroept om hulp. Als hij de weg naar God neemt, dan wordt hij geholpen, want nu bewijst hij zijn wil om zich bij God aan te sluiten en zich van de invloed van Zijn tegenstander vrij te maken. En er wordt hem hulp gezonden.
Een vurig gebed blijft nooit onverhoord en daarom helpt een vurig gebed in alle nood, voor wat de ziel en het aardse betreft. Want nu wordt hem de kracht toegestuurd en zijn gang over de aarde, zijn handelen en denken worden door God gezegend. Alleen de wil wordt maar geëist. Geen mens wordt hulpeloos aan zichzelf overgelaten, als hij maar naar hulp verlangt.
Maar om een verzoek om hulp te doen, moet God als een almachtig en liefdevol Wezen erkend worden en dit doet de mens, als hij Hem om hulp vraagt. Een meer smekende gedachte, vuriger te bidden om ondersteuning, om hulp tegen de zwakte van de wil, is al genoeg om hem de kracht toe te laten sturen. Dit is de strijd, die het wezen op aarde moet voeren. Dit is het worstelen met de boze macht om God naderbij te komen. Dit is het kiezen van de vrije wil voor of tegen God.
Amen
VertalerFinché l’uomo si trova ancora in posizione di difesa verso Dio e le buone Forze, gli manca anche la Forza per condurre un cammino di vita compiacente a Dio, perché allora non è nemmeno in grado di amare e con ciò senza l’afflusso di Forza. Ma con la propria forza non può svilupparsi progressivamente, perché questo lo deve compiere l’amore che gli procura di nuovo Amore, cioè Forza da Dio. Così l’agire nell’amore significherà sempre un avvicinamento a Dio, senza agire d’amore però la Divinità E’ irraggiungibile, quindi l’uomo si trova lontano da Dio. Quindi è la causa dell’assenza di Forza quando l’uomo non conduce il suo cammino di vita secondo la Volontà di Dio. E’ ancora nel bando dell’avversario che lo vuole ostacolare di rivolgersi a Dio. Ma questa influenza sull’uomo è concessa da Dio, perché la sua volontà si deve decidere liberamente per Dio o per il Suo avversario, perché per quanto venga anche oppresso, la sua volontà rimane libera e quando diventa sempre più debole, è unicamente la sua colpa perché non usa questa libera volontà nel modo giusto. Lui stesso può sospendere ogni debolezza attraverso la preghiera per la Forza. Ma allora si deve rivolgere a Dio Stesso, quindi si deve rivolgere a Lui ed allontanarsi dall’avversario di Dio, allora gli affluisce la Forza ed ora può anche operare del bene attraverso questa Forza. Lo stato inerme è benvenuto all’avversario di Dio, non trova nessuna resistenza quando spinge l’uomo a cose che contraddicono la Volontà divina. E per eseguire buone azioni, gli manca totalmente la volontà. Quindi finché sta sotto il bando dell’avversario, lo aiuta solo la preghiera e dovrà lottare così a lungo con la sua debolezza di volontà, finché non invoca dal più profondo del cuore Dio per l’Aiuto. Se percorre la via verso Dio, avrà l’Aiuto, perché ora dimostra la sua volontà di unirsi con Dio e vorrebbe liberarsi dall’influenza del Suo avversario. Ed avrà l’Aiuto. L’intima preghiera non rimane mai inesaudita e perciò questa aiuta in tutte le miserie animiche e terrene, perché ora gli giunge la Forza ed il suo cammino sulla Terra, il suo agire e pensare è benedetto da Dio. E’ richiesta solo la volontà. Nessun uomo è lasciato a sé stesso senza aiuto, appena desidera solo questo. Ma per richiedere l’Aiuto, Dio dev’Essere riconosciuto come l’Entità onnipotente ed amorevole e l’uomo lo fa quando Lo prega per l’Aiuto. Basta già un pensiero supplichevole, di pregare più intensamente per il Sostegno, per l’Assistenza nella sua debolezza di volontà, affinché gli giunge la Forza. Questa è la lotta che l’essere deve condurre sulla Terra, questo è il combattere con il potere maligno per avvicinarsi a Dio, questa è la decisione della libera volontà per o contro Dio.
Amen
Vertaler