B.D.-Nr. 2430

Een geestelijk werkzaam zijn – Met elkaar verband houdende kennis – Niet ten dele waar

De kennis van een door de geest van God onderwezen mens is zo omvangrijk, dat daaruit al een buitengewoon werkzaam zijn van God geconcludeerd moet worden. De mens wordt in de meest verschillende gebieden binnengeleid, maar die weer in het nauwste verband met elkaar staan en het is van bijzonder belang dat de mens dat verband kent, omdat zijn kennis anders slechts ten dele waar is. Want het geestelijk werkzaam zijn is hieraan te herkennen, dat een met elkaar verband houdende kennis aangeboden wordt, die voor de menselijke wijsheid onbereikbaar is.

Maar de mens kan door onderzoek noch de tijd van voor zijn belichaming als mens, noch van zijn sterven op aarde doorgronden. Maar als hem hierover opheldering gegeven moet worden, moet hij door geestelijke krachten onderwezen worden, wier aanwezig zijn weer niet door onderzoek bewezen kan worden. En hij moet krachten op zich in laten werken, die zich op geen enkele manier verstandsmatig laten verklaren, dus door wereldse kennis vastgesteld kunnen worden. De verbinding met deze krachten via de gedachten moet eraan voorafgaan, zodat deze werkzaam kunnen worden om nu als mens door een kennis vervuld te worden, die de menselijke kennis ver overtreft.

En de ernstige onderzoeker zal moeten beseffen, dat hij de wijsheden, die hem nu samenhangend aangeboden worden, niet kan verwerven, want alleen deze wijsheden geven hem opheldering over de zin en het doel van het aardse leven, over de zin en het doel van de schepping, over het begin en het doel van dat, wat zijn ogen zien. En hij wordt deze wijsheden niet gewaar als vermoedens, maar als onweerlegbare waarheid en zodoende kan zijn kennis voortdurend toenemen, omdat hij het niet als vergissing hoeft te verwerpen of in voortdurende twijfel geraakt. Want zodra de mens deze kennis eenmaal in ontvangst genomen heeft, is hij ook van de waarheid ervan overtuigd, omdat het vermogen van het inzicht hem tegelijkertijd met de waarheid toegestuurd wordt.

De geest uit God werkt alleen maar daar, waar aan de voorwaarde voldaan is, dat de mens in staat is om de waarheid te aanvaarden. Dat wil zeggen dat hij ervoor waardig bevonden wordt en dan zal hij al hetgeen hem aangeboden wordt, als waarheid herkennen. Aardse kennis zal nooit de grenzen van dat overschrijden, wat voor aards onderzoek toegankelijk is en ook dan nog aangevallen kunnen worden, omdat menselijk onderzoeken verschillende resultaten opleveren. Enkel de geest van God is in staat om de juiste opheldering te geven over zaken, die buiten het aardse bereik liggen, maar voor de volledigheid van de kennis ook opgehelderd moeten worden, want pas dan kan de mens zich wetend noemen.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.