Maar heel weinig mensen zijn zich ervan bewust dat het aardse leven een genade voor hen is en dat ze deze genade moeten benutten, omdat ze anders geen acht slaan op de genade en ze zo veel zegeningen mislopen. Maar ze kunnen zich niet voor hun onwetendheid verontschuldigen en moeten zich daarom voor het veronachtzamen van de genade verantwoorden.
Elk mens wordt het ter overweging gegeven en elk mens kan zijn verstand gebruiken en nadenken over hetgeen voorgelegd is en hij zal bij een ernstige wil tot het goede en rechtvaardige ook de juiste gedachten hebben over het doel van zijn aardse leven. Maar zijn wil is vrij en hij kan het juiste geloof ook afwijzen, maar hij moet voor deze verkeerde wil wel verantwoording afleggen.
De genade van de belichaming op aarde is de afsluiting van een eindeloos lange ontwikkelingsperiode van de ziel. Het aardse leven is heel kort in vergelijking met deze lange ontwikkelingsperiode daaraan voorafgaand en toch is dit leven bepalend voor de gehele eeuwigheid. Het aardse leven is een genade, want God geeft de mensen daarin de gelegenheid om zich van elke keten te ontdoen en volledig vrij te worden en Hij geeft de zwakke mensen alle maar denkbare hulpmiddelen om dit doel te bereiken. En deze genade wordt niet beseft en daarom niet gewaardeerd als genade. Als een geschenk, dat de liefde van God Zijn schepselen toestuurt, om hen naar het licht te leiden uit de nacht van de geest.
De mensen gaan onverschillig aan de genaden voorbij. Ze leven wel hun leven, maar op een totaal verkeerde manier. Ze begeren dat, wat ze moeten overwinnen en ze veronachtzamen, wat ze na moeten streven en ze kunnen daarom niet rijp worden en ze blijven in hun ontwikkeling staan, als ze al niet achteruitgaan in hun ontwikkeling. En de voorafgaande eindeloos lange gang over de aarde was vergeefs en de genade van de belichaming als mens heeft hen geen vooruitgang opgeleverd, anders zouden zij God bovenmate dankbaar zijn, dat zij het aardse leven van Hem ontvangen hebben. Alleen degene, die het als genade erkent, zal deze genade benutten en een succes voor zijn ziel kunnen noteren.
Het leven in de eeuwigheid kan de mensen nog niet gepresenteerd worden, omdat anders de vrije wil in het gevaar zou komen om onvrij te worden. Hij moet zich ongedwongen opwaarts ontwikkelen en er staan hem talloze mogelijkheden, talloze hulpmiddelen ter beschikking, die allemaal een genade zijn om het aardse leven voor hem gemakkelijker te maken.
God schenkt in Zijn enorme liefde de mensen al deze genaden, maar de grootste genade is dat de zielen zich in mensen mogen belichamen. Dat hun alle gelegenheid geboden wordt, dat ze nu door deze belichaming de mogelijkheid hebben om zich bij God aan te sluiten. Dat ze voortdurend door de wezens van het licht, die hen kunnen helpen om het doel te bereiken, verzorgd worden.
Dus als ze geen acht slaan op deze grote genade, raken ze weer andere genaden kwijt en leven ze hun aardse leven tevergeefs. Dat wil zeggen dat ze niet naar het enige doel, de verenging met God, streven. Ze leven enkel het aardse leven, gebruiken daar de hun toestromende levenskracht voor en ze schenken totaal geen aandacht aan hun ziel. En zo misbruiken ze dus de genade van de belichaming en daarover moeten ze aan God verantwoording afleggen.
Amen
VertalerLa minor parte degli uomini si rende conto che la vita terrena è una Grazia per loro e che la devono valorizzare, altrimenti non rispettano questa Grazia e perdono molte Benedizioni. Ma non si possono scusare con l’ignoranza e perciò devono rispondere per il disprezzo della Grazia. Ad ogni uomo viene sottoposta ed ognuno può usare il suo intelletto e riflettere su ciò che gli è stato sottoposto e con una seria volontà per il bene ed il giusto avrà anche i giusti pensieri sullo scopo della sua vita terrena. Ma la sua volontà è libera e può anche rifiutare i giusti pensieri, soltanto che deve rispondere per la volontà sbagliata.
La Grazia dell’incorporazione sulla Terra è la conclusione di un periodo di sviluppo dell’anima infinitamente lungo. La vita terrena è molto breve misurata nel confronto con questo lungo periodo di sviluppo antecedente ed è comunque determinante per tutta l’Eternità. La vita terrena è una Grazia, perché Dio dà all’uomo con ciò l’occasione di sfilarsi ogni catena e di diventare totalmente libero ed Egli dà all’uomo debole tutti i mezzi immaginabili d’Aiuto per raggiungere questa meta. Questa Grazia non viene riconosciuta e perciò non valutata come Grazia, come un Regalo, che l’Amore di Dio rivolge alle Sue creature per portare a queste la Luce nella notte dello spirito.
Gli uomini passano oltre alle Grazie con indifferenza. Vivono bensì la loro vita, ma in modo del tutto sbagliato. Desiderano ciò che devono superare e disprezzano ciò a cui dovrebbero tendere, perciò non possono maturare, ma rimangono fermi nel loro sviluppo se non retrocedono addirittura nello sviluppo. La via terrena antecedente infinitamente lunga è stata inutile, e la Grazia dell’incorporazione come uomo non gli ha procurato nessun progresso, altrimenti ringrazierebbe Dio oltre ogni misura, che ha ricevuto la vita terrena da Lui. Solo colui che la riconosce come Grazia, utilizzerà questa stessa e potrà registrare un successo per l’anima.
La Vita nell’Eternità non può venir ancora presentata all’uomo, altrimenti sarebbe in pericolo la libera volontà di diventare non-libera. Deve svilupparsi verso l’Alto del tutto liberamente, e per questo ha a disposizione innumerevoli occasioni, innumerevoli mezzi ausiliari, che sono tutti delle Grazie, per rendergli facile la sua vita terrena. Dio impiega tutte queste Grazie nel Suo ultragrande Amore verso gli uomini; ma la più grande Grazia è che l’anima abbia potuto incorporarsi nell’uomo, che le vengano offerte tutte le occasioni, che ora attraverso questa incorporazione abbia l’opportunità di poter unirsi con Dio, che viene costantemente assistita da esseri di Luce, che la possono aiutare a raggiungere la meta. Ma se non bada a questa grande Grazia, perde nuovamente altre Grazie e vive la sua vita terrena inutilmente, cioè non persegue l’unica meta, l’unificazione con Dio. L’uomo vive soltanto la vita terrena e per questa utilizza la forza vitale che gli affluisce lasciando del tutto inosservata l’anima. E così abusa quindi della Grazia dell’incorporazione e perciò deve risponderne davanti a Dio.
Amen
Vertaler