In een wereld van onvrede moeten de mensen noodgedwongen in een verward denken geraken. Want de oorzaak van de onvrede is liefdeloosheid en waar het aan liefde ontbreekt, daar is de mens ook ver van de waarheid verwijderd. Dit verkeerde denken kan de ziel nooit voordeel opleveren. De ziel kan niet rijp worden, zolang ze niet juist denkt, dat wil zeggen zich niet in de waarheid bevindt. En daarom moet eerst de liefde beoefend worden. Pas dan zal de mens ook juist denken en pas dan kan hij opheldering over vraagstukken geven, zonder zich te vergissen.
Zodra er nu geschilpunten op geestelijk gebied aan de dag komen, mogen de mensen alleen maar hun mening uiten, als ze hun best doen een leven in liefde te leiden en aan de mening van een liefdeloos mens hoeft geen aandacht geschonken te worden. En dit geldt ook voor alle onderrichtende mensen. Zodra ze in de liefde staan, verspreiden ze de waarheid, zelfs vaak in zoverre ongewild, dat de mensen die hen horen het zo zullen begrijpen, dat het met de waarheid overeenkomt, ook wanneer de onderwijzende mens verkeerd onderwezen werd.
Een in de liefde staand mens herkent ook de vergissing als deze hem aangeboden wordt, vooropgesteld dat in hem het verlangen naar de waarheid sterk is en hij door het verspreiden van de waarheid God wil dienen. Degene, van wie de geest door liefdadigheid vrijgekomen is, die is er ook toe geroepen om de medemensen te onderwijzen.
Maar in de liefdeloze wereld is de geest nog niet vrij. De liefdeloosheid houdt hem geketend en daarom staat de mens, wiens geest nog gebonden is, ver van de waarheid af en zal zodoende ook nooit waarheid aan de medemensen door kunnen geven, maar wat hij overdraagt, is met dwaling doorspekt, als het al niet volledig dwaling is. Hieraan is te zien, dat maar weinig mensen zich in de waarheid bevinden, omdat ook maar weinig mensen werkzaam zijn in liefde.
Het is zo’n bitter besef, dat deze weinigen een zware strijd moeten voeren, als ze de mensen de waarheid binnen willen leiden, omdat ze hun eerst de liefde moeten prediken. Want alleen dan kan de mens de waarheid herkennen, wanneer zijn hart tot liefde in staat geworden is. En de liefdeloze mensheid tot liefde te veranderen is waarlijk een taak, die nauwelijks uitvoerbaar is, wanneer God Zich niet zelf over de mensheid ontfermt. Hoe liefdelozer de mensen zijn, des te moeilijker zal de waarheid terrein winnen en steeds zal ze bestreden worden door degenen, die in de waarheid geloven te staan, maar zelf de liefde te weinig beoefenen.
Onderzoek de onderwijzers, in hoeverre ze in de liefde staan en onderzoek of deze onderwijzers enkel aangeleerde wijsheden doorgeven. De waarheid moet eerst gevoeld worden. Ze kan niet schools geleerd worden. En hetgeen overgedragen is, wordt pas wijsheid, zodra het tegelijkertijd door het hart en het verstand opgenomen wordt. En wijs is de mens pas, wanneer de kennis als een licht in hem schijnt en hem gelukkig maakt.
De onderwijzer moet in de liefde staan en degene, die onderwezen wordt, moet eveneens met een hart, dat tot liefde in staat is, de wijsheid ontvangen. Pas dan zal van een juiste wijsheid gesproken kunnen worden. En het ontbreekt de mensheid aan deze liefde en zodoende ontbreekt het haar ook aan de wijsheid: de waarheid uit God. Maar ze gelooft wetend te zijn en ze verwerpt alles, wat in tegenspraak met haar kennis is. Want totdat de mensheid zich tot liefde veranderd heeft, neemt ze genoegen met overgenomen leringen, die ze voor de waarheid houdt, omdat het haar aan elk vermogen tot inzicht ontbreekt.
Amen
VertalerIn einer Welt des Unfriedens müssen die Menschen notgedrungen in verwirrtes Denken geraten; denn Ursache des Unfriedens ist Lieblosigkeit, und wo es an Liebe mangelt, dort ist auch der Mensch weit von der Wahrheit entfernt. Dieses falsche Denken kann niemals der Seele Gewinn bringen; es kann die Seele nicht reifen, solange sie nicht recht denkt, d.h. sich nicht in der Wahrheit befindet. Und darum muß zuerst die Liebe gepflegt werden, dann erst wird der Mensch auch recht denken, und dann erst kann er über Probleme Aufschluß geben, ohne zu irren. Sowie nun Streitfragen sich ergeben auf geistigem Gebiet, dürfen die Menschen nur ihre Meinung äußern, so sie ein Liebeleben zu führen sich bemühen, und es braucht der Ansicht eines liebelosen Menschen keine Beachtung geschenkt werden. Und dies gilt auch für alle lehrenden Menschen. Sowie sie in der Liebe stehen, verbreiten sie Wahrheit, oft sogar ungewollt in so fern, als die ihnen zuhörenden Menschen es so verstehen werden, wie es der Wahrheit entspricht, auch wenn der lehrende Mensch falsch unterwiesen wurde. Ein in der Liebe stehender Mensch erkennt aber auch den Irrtum, so er ihm geboten wird, vorausgesetzt, daß in ihm das Wahrheitsverlangen stark ist und er durch Verbreiten der Wahrheit Gott dienen will.... Wessen Geist durch Liebetätigkeit frei geworden ist, der ist auch berufen, die Mitmenschen zu belehren. In der lieblosen Welt aber ist der Geist noch nicht frei, die Lieblosigkeit hält ihn in Fesseln, und darum steht der Mensch, dessen Geist noch gebunden ist, der Wahrheit fern und wird also auch niemals Wahrheit an den Mitmenschen weitergeben können, sondern was er jenen vermittelt, ist vom Irrtum durchsetzt, wenn nicht völliger Irrtum. Daraus ist zu ersehen, daß sich nur wenige Menschen in der Wahrheit befinden, weil auch nur wenige Menschen liebetätig sind. Es ist dies eine so bittere Erkenntnis, daß diese wenigen einen schweren Kampf führen müssen, wollen sie den Menschen in die Wahrheit leiten, weil sie zuvor ihnen die Liebe predigen müssen, denn nur dann kann der Mensch die Wahrheit erkennen, wenn sein Herz liebefähig geworden ist.... Und die lieblose Menschheit zur Liebe zu wandeln ist wahrlich eine Aufgabe, die kaum ausführbar ist, wenn nicht Gott Selbst Sich der Menschheit annimmt. Je liebloser die Menschen sind, desto schwerer wird sich die Wahrheit durchsetzen, und immer wird sie bekämpft werden von denen, die in der Wahrheit zu stehen glauben, jedoch die Liebe selbst zu wenig üben. Prüfet die Lehrenden, wieweit sie in der Liebe stehen.... und prüfet, ob diese Lehrenden nur angelernte Weisheit weitergeben.... Die Wahrheit muß empfunden werden, sie kann nicht schulmäßig erlernt werden.... Und Weisheit wird das Übermittelte erst, sowie es vom Herzen und Verstand zugleich aufgenommen worden ist.... und weise ist der Mensch erst, wenn das Wissen wie ein Licht in ihm leuchtet und ihn beglückt. Es muß der Lehrende in der Liebe stehen und der Belehrt-Werdende gleichfalls mit einem liebefähigen Herzen die Weisheit empfangen, dann erst wird von rechter Weisheit gesprochen werden können. Und diese Liebe mangelt der Menschheit, und also mangelt ihr auch die Weisheit, die Wahrheit aus Gott.... Doch sie glaubt sich wissend, und sie verwirft alles, was ihrem Wissen entgegensteht. Denn bevor sich die Menschheit nicht zur Liebe gewandelt hat, begnügt sie sich mit übernommenen Lehren, die sie für die Wahrheit hält, weil ihr jegliche Erkenntniskraft mangelt....
Amen
Vertaler