Vergelijk Kundgabe met vertaling

Meer vertalingen:

Wereldse instelling – Alleen de liefde bevrijdt

De wereldse instelling draagt het grootste gevaar voor de ziel in zich, want deze wordt van een geestelijk streven afgehouden. Er wordt een rekening houden met het lichaam geëist, dus de wil, het denken en het voelen van de mens is er alleen maar op gericht om het lichaam alle genoegens te verschaffen. En bijgevolg wordt de ziel gehinderd om de geest in haar ter wille te zijn. Op het geestelijke wordt daarom geen acht geslagen en de ziel blijft of in haar opwaartse ontwikkeling steken, of ze ontwikkelt zich negatief, als het lichamelijke verlangen overheerst en de mens zich steeds meer naar de wereld toekeert. Want het geestelijke rijk zal nooit te verenigen zijn met het aardse rijk. Nooit zal wereldse vervulling de ziel tot heil zijn. Nooit kan de mens tegelijkertijd boven en beneden wandelen. Altijd zal het ene ten koste van het andere gedaan moeten worden.

En de mensen denken hier niet aan. Hun gehele streven betreft het welbehagen van het lichaam en de ziel moet gebrek lijden, zodra het verlangen van het lichaam vervuld wordt. Maar hoe dwalen de mensen als ze geloven de plichten jegens God te vervullen, als ze uiterlijke ceremoniën vervullen. Wat God van de mens eist, is een levend geloof in Hem en Zijn woord, maar die ook een handelen naar het woord van God ten gevolge moet hebben.

Dit woord onderwijst de vergankelijkheid van al het aardse en geeft kennis van de zin en het doel van het aardse leven en van de toestand van de ziel na de lichamelijke dood. Het aardse leven moet nu overeenkomstig het woord van God geleefd worden om de toestand van de ziel na de dood tot één vol licht te laten worden. En dus moet alles, wat aards, dat wil zeggen vergankelijk is, buiten beschouwing gelaten blijven en moet er alleen maar aan de onvergankelijke ziel gedacht worden, zolang de mens op aarde verblijft.

Maar de ziel kan zich niet opwaarts ontwikkelen, zolang ze door lichamelijke verlangens gehinderd wordt bij de vereniging met de geest in zich. En dat laatste kan alleen maar door een werkzaam zijn in liefde geschieden. Er moet meer aan de naaste gedacht worden dan aan het eigen lichaam. De mens moet zijn eigen “ik” opzijzetten en opgaan in een werkzaam zijn in liefde voor zijn medemensen.

Wie echter alleen maar aan zichzelf denkt, die is nog zo aan de aarde gebonden, dat het hem zwaar valt om zich van de aarde los te maken. De eigenliefde is de grootste hindernis op de weg omhoog, want de eigenliefde is het tegenovergestelde van de naastenliefde en enkel de naastenliefde is werkelijk bevrijdend. Enkel de naastenliefde betekent een geestelijke vooruitgang voor de ziel en enkel de naastenliefde vormt de mens naar de wil van God.

Maar elke handeling, die de naastenliefde ontbeert, is een zuiver formele handeling. Iets uiterlijks, dat geen innerlijke waarde heeft en niet in het minst aan de hervorming van de ziel bijdraagt. Enkel de liefde verlost en als de mens zich niet in de liefde oefent, gaat zijn ziel voor de eeuwigheid verloren.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Peter Schelling

Predisposizione mondana – Soltanto l’amore salva

La predisposizione mondana porta in sé il più grande pericolo per l’anima, perché questa viene trattenuta dal tendere spirituale, da lei viene preteso la considerazione del corpo, quindi la volontà, il pensare ed il sentire dell’uomo è soltanto orientato a creare al corpo tutti i piaceri. E di conseguenza l’anima viene ostacolata nella funzione di assecondare la volontà dello spirito in lei, perciò lo spirituale rimane inosservato e l’anima rimane ferma nel suo sviluppo verso l’Alto, oppure si forma in retrocessione, quando la richiesta corporea prende il sopravvento e l’uomo si rivolge sempre di più al mondo. Perché il Regno spirituale non sarà mai conciliabile con il regno terreno. L’adempimento mondano non sarà per il bene dell’anima, l’uomo non può camminare contemporaneamente in alto ed in basso, dovrà sempre fare una cosa a spese dell’altra ed a questo gli uomini non ci pensano. Tutto il loro tendere è per il benessere del corpo e l’anima deve languire, quando il desiderio del corpo viene esaudito. In quale errore però camminano gli uomini, quando credono di esaudire i loro doveri verso Dio, quando eseguono delle cerimonie esteriori. Quello che Dio chiede agli uomini, è la fede viva in Sé e la Sua Parola, che però deve avere per conseguenza anche l’agire secondo la Parola di Dio. Questa Parola insegna la caducità di tutto il terreno e fornisce la conoscenza del senso e dello scopo della vita terrena e dello stato dell’anima dopo la morte corporea. Perciò ora si deve vivere la vita terrena secondo la Parola di Dio, per formare lo stato dell’anima luminoso dopo la morte quindi, tutto ciò che è terreno, cioè caduco, deve rimanere inosservato e si deve pensare soltanto all’anima imperitura, finché l’uomo rimane sulla Terra. Ma l’anima non può svilupparsi con progresso, cioè unirsi con lo spirito in lei finché è ostacolata da desideri corporei. E l’unione può avvenire soltanto tramite l’agire nell’amore. Si deve pensare di più al prossimo che al proprio corpo, l’uomo deve mettere in fondo il suo proprio “io” e sorgere nell’agire d’amore ai suoi prossimi. Chi però pensa soltanto a sé stesso, è ancora così legato alla Terra che gli è difficile staccarsi dalla Terra. L’amore dell’io è il più grande impedimento verso l’Alto, perché l’amore dell’io è il contrario dell’amore per il prossimo, e soltanto l’amore per il prossimo è salvifico, soltanto l’amore per il prossimo significa progresso spirituale per l’anima, e soltanto l’amore per il prossimo forma l’uomo secondo la Volontà di Dio. Ma ogni azione che è priva dell’amore per il prossimo, è un’azione puramente formale, qualcosa di esteriore che non ha nessun valore interiore e non contribuisce in nessun modo alla trasformazione dell’anima. Soltanto l’amore salva e se l’uomo non si esercita nell’amore, la sua anima va perduta per l’Eternità.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Ingrid Wunderlich