Er valt een helder licht in de duisternis op aarde. En het licht verspreidt een helder schijnsel. Het doordringt de duisternis, drijft deze uiteen en zal haar ten slotte verdringen. De stralende ochtend zal aanbreken. De geestelijke nacht zal verdwijnen en met haar ook het leed en de narigheid, die enkel de gevolgen zijn van de geestelijke duisternis. En daarom zal de aarde nog net zo lang leed en narigheid moeten verdragen, zolang ze nog niet naar het licht verlangt.
Maar het denken van degene, voor wie het licht schijnt, is ook naar het licht toegekeerd en hij heeft nog maar in geringe mate leed en narigheid nodig. Maar als de mens lichtdrager geworden is, dan is zijn ziel een opnamevat voor de goddelijke geest, die het licht uitstraalt op de mensen, die naar licht hongeren, en in het bijzonder op die, van wie het de wil is om de medemensen in de zuivere waarheid te onderwijzen. Deze kunnen in alle rust door het aardse leven gaan. Ze zullen altijd goed geleid worden, als hun wil het verspreiden van het buitengewone licht betreft.
Aardse nood, die de mens af kan wenden door een innige vereniging met God in het gebed of door het lezen van Zijn goddelijke woord, wordt alleen maar met dit doel toegelaten, dat de mens gesterkt wordt in het geloof, zodat hij steeds tot God zijn toevlucht neemt en er zodoende een innige verhouding tussen de mens en God tot stand gebracht wordt. Want alleen maar daardoor kan de mens lichtdrager worden en zodoende een verspreider van het goddelijke woord.
Als de mens uit eigen beweging deze innige verbinding tot stand brengt, dan heeft hij geen aardse nood en kwellingen meer nodig, want het is licht in hem geworden. Hij kan niet anders dan overal het licht verspreiden. Hij voelt de drang in zich om daarvan aan de medemensen uit te stralen en hen naar het diepste geloof te leiden. En hij helpt nu de duisternis te verdringen en zal gezegend worden door God. Hij wordt door Hem beschermd en zeker omhoog geleid.
De mens heeft het licht, de wijsheid uit God, buitengewoon nodig, juist vanwege zijn duistere toestand. Zodoende zal God de lichtdragers beschermen tegen de ondergang van de ziel en het lichaam. Hij zal ook niet zulke aardse gebeurtenissen over hem sturen, die hinderlijk voor hem zouden kunnen zijn in zijn arbeid aan zijn ziel, in het verspreiden van de leer van het licht, dat wil zeggen die elke geestelijke arbeid zou kunnen verhinderen.
God kent elke menselijke ziel en Hij kent ook de nood in geestelijk opzicht van de mensen op aarde en Hij doet alles om de geestelijke nood op te heffen. Om de zuivere waarheid over te dragen. Hij zal degenen, die Zijn wil uitgekozen heeft om dragers van het licht te worden en die zich uit eigen beweging tot zegen van de medemensen tot deze taak bereid verklaard hebben, heel bijzondere bescherming geven.
Amen
VertalerUna luz brillante cae en las tinieblas de la Tierra.... Y la luz esparce un resplandor brillante, penetra las tinieblas, las parte y finalmente las desplazará por completo. Amanecerá la mañana luminosa, desaparecerá la noche espiritual y con ella el sufrimiento y la tristeza, que son sólo consecuencias de las tinieblas espirituales. Y es por eso que la Tierra tendrá que soportar sufrimiento y tristeza mientras aún no desee la luz. Pero a quien ilumina la luz, su mente también se vuelve hacia ella y sólo necesita sufrimiento y tristeza en pequeña medida.
Pero si una persona se ha convertido en un portador de luz, entonces su alma es un receptáculo del Espíritu divino, que irradia la luz a las personas que tienen hambre de luz y especialmente a aquellas cuya voluntad consiste en instruir a sus semejantes en la verdad pura. Estas pueden caminar tranquilamente por la vida terrenal porque siempre serán guiados correctamente si su voluntad consiste en difundir la luz extraordinaria. Las dificultades terrenales, que el hombre puede evitar mediante una estrecha unión con Dios en la oración o leyendo Su divina Palabra, sólo está permitidas para el propósito de fortalecer la fe del hombre, para que siempre se refugie en Dios y así se establezca una relación íntima entre el hombre y Dios. Porque sólo así la persona puede convertirse en portadora de luz y, por tanto, en propagadora de la Palabra divina.
Si una persona establece está conexión íntima por voluntad propia, ya no necesita más necesidades y dificultades, porque se ha vuelto luz dentro de ella, y no puede evitar de difundir la luz por todas partes, siente dentro de sí misma el impulso de regalarla a sus semejantes y llevarlos a una fe profunda. Y ahora ayuda a disipar la oscuridad y será bendecido por Dios, será protegida por Él y guiada con seguridad hasta la altura. El hombre necesita extraordinariamente la luz, la sabiduría de Dios, precisamente por su estado de falta de luz.
Entonces Dios protegerá a los portadores de luz de la ruina física y mental. Tampoco mandará sobre ellos eventos terrenales que puedan obstaculizar el trabajo de su alma en la difusión de las enseñanzas de luz, es decir, que pudieran impedir cualquier trabajo espiritual. Dios sabe acerca del alma de cada persona, y también sabe acerca de la necesidad espiritual de la gente en la Tierra, y hace todo lo posible para remediar la necesidad espiritual a fin de transmitir la verdad pura. Él brindará una protección muy especial a quienes su voluntad ha elegido para convertirse en portadores de luz y que se han declarado dispuestos a esta tarea por su propia voluntad para trabajar en beneficio de sus semejantes....
amén
Vertaler