Vergelijk Kundgabe met vertaling

Meer vertalingen:

Het verzet tegen God vertraagde de belichaming als mens – Liefdeloosheid – Nieuwe aarde – Nieuwe verlossingsperiode

De toestand van het wezenlijke in de vorm is net zo lang kwellend, als het zich tegen God verzet. Dit moet zo begrepen worden, dat geen enkele dwang het wezenlijke zou bedrukken, als het zich niet tegen God zou verzetten. Dat het wezenlijke zichzelf dus in deze kwellende toestand brengt, maar zich daar ook altijd vrij van kan maken, als het zijn verzet tegen God opgeeft. En zo volgt daaruit, dat de opwaartse ontwikkeling van het wezenlijke, dus de terugkeer naar God, niet altijd dezelfde tijdsduur in beslag neemt, maar al naar gelang de wil van het wezenlijke snel of langzaam plaats kan vinden. En dit is de verklaring voor de steeds nieuwe generaties van mensen, die toch allemaal de aarde bewonen met hun geestelijke uitrijpen als doel en toch zulke verschillende tijden de gang over de aarde gaan.

Steeds en te allen tijde is de schepping het omhulsel van het geestelijke geweest en steeds en te allen tijde verzette dit geestelijke zich meer of minder tegen God. En zo legde het al meer naar God toegekeerde geestelijke zijn aardse levensweg in kortere tijd af en het kon dus ook vroegtijdiger het laatste stadium als mens doormaken.

Maar niet altijd bleef dit geestelijke in de belichaming als mens naar God toegekeerd, want hij ging vaak in zijn ontwikkeling achteruit, om welke reden er steeds en te allen tijde mensen waren, die op de verste afstand van God het aardse leven leefden en deze aarde ook als volkomen onrijp moesten verlaten. Maar vaak was een korte tijd in het hiernamaals voldoende voor dit geestelijke om tot inzicht te komen en nu met grotere ijver naar het licht te streven.

Terwijl het wezenlijke, dat zich in latere tijden als mens mocht belichamen, zich eerst nog lange tijd tegen God bleef verzetten en daarom viel hem ook pas na lange tijd de genade van de belichaming als mens ten deel. En dit wezenlijke faalde heel vaak in zijn laatste levensproef op aarde, waar het nu uit vrije wil zijn verzet tegen God definitief op moest geven. Daarom neemt ook de liefdeloosheid steeds meer de overhand, wat echter niet uitsluit, dat ook in deze laatste generatie, waarin het geestelijke naar de laatste verlossing dringt, mensen zich met bijzondere vurigheid naar God toekeren.

Maar meestal zal dit geestelijke het in zoverre hard te verduren hebben, als het zich moet handhaven tegen het geestelijke, dat zich tegen God verzet, dat er alles aan doet om zijn ontwikkelingsgang tegen te werken. En dus moet dit geestelijke strijden en als mens een moeilijkere aardse weg afleggen, dan voor het geestelijke in de vroegere perioden het geval was. Maar zijn wil is doorslaggevend voor wat betreft van welke aard en van welke tijdsduur deze strijd is. De wil moet sterk worden, zodat het geestelijke probeert zich te bevrijden uit zijn gebondenheid. Het moet in zekere zin in het aardse leven inhalen, want hem in eerdere stadia aan wil ontbroken heeft.

De mens moet naar God streven, waartegen hij zich eerder verzet heeft en hij moet deze strijd bewust voeren, zoals hij zich eens bewust tegenover God geplaatst heeft. De belichaming als mens zal zodoende des te hogere eisen aan hem stellen, naarmate deze later plaatsvindt. Dat wil zeggen dat van elke ontwikkelingsperiode de tijdsduur vastgesteld is. Ze is begrensd en wordt dus door de wil van God beëindigd, als de vastgestelde tijd voorbij is.

En deze tijdsperiode is zo vastgesteld, dat ook degene, die zich tegen God verzet, de tijd op aarde als mens door kan maken. Er worden alleen hogere eisen aan deze mens gesteld, als het geestelijke in de laatste periode nog uit wil rijpen, dus zijn verzet tegen God geheel opgeeft. Maar het geestelijke, dat in deze aardse periode zijn verzet tegen God niet opgeeft, volhardt hier gedurende eindeloze tijden in en heeft weer een verblijf in de vaste vorm nodig, want het heeft zich niet opwaarts ontwikkeld, maar eerder een achteruitgang bewerkstelligd, die een tweede binding in de vaste vorm vereist.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Peter Schelling

L’avversità contro Dio, ritardata l’incorporazione come uomo – L’assenza d’amore – La Nuova Terra - Epoche di Redenzione

Lo stato dell’essenziale nella forma è tormentoso così a lungo finché si oppone a Dio. Questo è da intendere in modo che nessuna costrizione opprimerebbe l’essenziale se non si ribellasse contro Dio, che quindi l’essenziale stesso si crea questo stato tormentoso, ma se ne può anche liberare in ogni momento quando rinuncia alla sua resistenza contro Dio. E da questo risulta che lo sviluppo verso l’Alto dell’essenziale, quindi il ritorno a Dio, non richiede sempre la stessa durata di tempo, ma secondo la volontà dell’essenziale può svolgersi velocemente o lentamente, cosa che è la spiegazione per le sempre nuove generazioni degli uomini che vivono tutte sulla Terra appunto allo scopo della maturazione spirituale e percorrono comunque il cammino terreno in tempi diversi. La Creazione sempre ed in tutti i tempi è stata l’involucro dello spirituale e sempre ed in tutti i tempi, questo spirituale era più o meno ribelle contro Dio e quindi lo spirituale già più simile a Dio ha percorso la sua via della vita terrena in un tempo più breve e di conseguenza, poteva anche passare più velocemente attraverso l’ultimo stadio come uomo. Ma questo spirituale che nell’incorporazione come uomo è rimasto rivolto a Dio, sovente si è di nuovo sviluppato in retrocessione, per cui ci stati sono sempre ed in tutti i tempi degli uomini che vivevano la vita terrena nella più grande distanza da Dio e dovevano abbandonarla anche totalmente immaturi. Ma a questo spirituale bastava un breve tempo nell’aldilà per giungere alla conoscenza ed ora aspirava alla Luce con rafforzato fervore. Mentre l’essenziale che poteva incorporarsi come uomo in tempi più tardi, rimaneva dapprima per lungo tempo nella resistenza contro Dio e perciò gli veniva concessa l’incorporazione come uomo anche solo dopo un lungo tempo. E questo essenziale ha molto spesso fallita la sua ultima prova della vita terrena, dove doveva rinunciare definitivamente nella libera volontà, alla sua resistenza contro Dio. Perciò il disamore prende sempre più il sopravvento, che però non esclude che anche in queste ultime generazioni degli uomini nei quali lo spirituale spinge incontro all’ultima liberazione si rivolgono a Dio con particolare intimità, . Ma questo spirituale avrà quasi sempre una situazione difficile, in quanto deve affermasi contro lo spirituale avverso a Dio, che ce la mette tutta per impedirgli il percorso dello sviluppo. Di conseguenza questo spirituale deve lottare e percorrere un cammino terreno più difficile come uomo di quanto non fosse destinato allo spirituale nei periodi precedenti. Ma è determinante la sua volontà, di quale genere e di quale durata di tempo sono queste lotte. La volontà dev’essere forte affinché lo spirituale cerchi di liberarsi dalla sua relegazione, in certo qual modo deve ripetere nella vita terrena ciò che gli mancava nella volontà negli stadi antecedenti. Come uomo deve tendere a Dio al Quale ha prima resistito e deve eseguire coscientemente questa lotta, come una volta si è opposto contro Dio. L’incorporazione come uomo gli porrà quindi delle pretese maggiori, più tardi questa ha luogo, cioè ogni periodo di sviluppo è determinato nella sua durata di tempo, è limitata, quindi viene terminata dalla Volontà di Dio quando il tempo deciso è trascorso. E questo periodo di tempo è misurato in modo che anche lo spirituale ribelle a Dio può vivere attraverso il tempo terreno come uomo, solo gli vengono poste maggiori pretese, se lo spirituale vuole ancora maturare in questo ultimo periodo, quindi rinunciare del tutto alla sua resistenza contro Dio. Ma lo spirituale che in questo periodo terreno non rinuncia alla sua resistenza contro Dio, vi rimane ancora per tempi infiniti e necessita di nuovo del soggiorno nella forma solida, perché non si è sviluppato verso l’Alto, ha passato piuttosto una retrocessione di sviluppo che obbliga ad una ripetuta relegazione nella forma solida.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Ingrid Wunderlich