B.D.-Nr. 2529
De mensen hebben de religie tot een voortdurend geschilpunt laten worden. De verhouding van de mens tot God, zijn taak op aarde en de eeuwige Godheid Zelf worden heel verschillend geïnterpreteerd en elke geestelijke richting wil de ander afwijzen en als enig ware erkend worden. En steeds weer maakten de mensen het tot hun taak om via onderzoek dit gebied binnen te dringen en het resultaat was verschillende geestelijke richtingen, die elkaar weer onderling bestrijden.
De mens gelooft met zijn verstand vraagstukken op te kunnen lossen en hij slaat geen acht op het werkzaam zijn van de geest. Dat wil zeggen dat hij niet probeert zich in een toestand te brengen, die hem alleen de meest volledige opheldering geeft. En hij zal ook net zolang in de duisternis wandelen, omdat zonder de verlichting van de geest een waarheidsgetrouwe opheldering ondenkbaar is. En hoe meer de mensen tegen elkaar strijden, des te verwarder wordt hun denken en ze zijn niet in staat om de waarheid van de dwaling te onderscheiden.
En dat is de tijd, waar aards en geestelijk een chaos ontstaat, waaruit de mensen op eigen kracht geen uitweg meer vinden. De zuivere waarheid zal weliswaar nog in het verborgene te vinden zijn, maar als deze in de nabijheid van de mensheid gebracht wordt, herkent ze deze niet en daarom accepteert ze deze niet. Maar zodra een verkeerde mening onder de dekmantel van de waarheid zich een weg probeert te banen, zijn de mensen gewillig en accepteren ze deze mening.
En zo verspreidt de dwaling zich angstaanjagend, want aan de weinige zich in de waarheid bevindende mensen wordt geen aandacht geschonken en ze kunnen de dwaling daarom niet weerleggen, omdat hun daartoe de gelegenheid niet geboden wordt, omdat degenen die geloven de waarheid te bezitten, zich met een onverlichte geest aanmatigen te onderzoeken en hun resultaten als waarheid aan de medemensen aanbieden. En God laat dit toe, omdat de wil van de mens zwak geworden is. Die zodoende niet vurig genoeg naar de zuivere waarheid verlangt, zodat hij ook niet immuun geworden is voor dwaling.
Maar zolang de mens dwaalt, kan zijn ziel zich niet opwaarts ontwikkelen. En dit is zijn eigenlijke taak op aarde. Enkel een streven naar de waarheid, naar God, laat hem voor wat de ziel betreft rijp worden. En met het streven naar de waarheid moet ook de liefde verbonden zijn. Maar aan de liefde wordt eveneens nauwelijks aandacht geschonken en zonder de liefde is er geen verbinding mogelijk met Degene, Die de waarheid Zelf is en alleen Die kan de waarheid uitdelen.
Wat de mens daarom tegenwoordig onderwezen wordt, ontbeert de liefde en zodoende ook de waarheid en kan de menselijke ziel dus nooit tot heil strekken, omdat de geest uit God het denken van die mens niet ordenen kan, die gelooft geroepen te zijn om de medemensen opheldering te brengen en nog geen voorwaarde vervuld heeft, die het werkzaam zijn van de geest in de mens tot gevolg heeft.
Amen