B.D.-Nr. 2471
Alles in het heelal wordt door de wil van God bestuurd, enkel op aarde is de wil van de mens er schijnbaar bij betrokken, waar het om gebeurtenissen handelt, die alleen maar een aards effect hebben. Die dus enkel en alleen aan de menselijke wil onderworpen zijn. De mens wordt gedurende zijn aardse leven een aardse activiteit toegewezen en daartoe moet hij zijn wil actief laten worden. Dat wil zeggen dat hij de levenskracht, die hem onophoudelijk toestroomt, moet gebruiken en de wil tot daad moet laten worden.
Alles wat de mens nu uitvoert, moet ook één of ander gevolg veroorzaken. De activiteit van de mens moet opbouwend of vernietigend zijn. Bijgevolg is de menselijke wil bepalend voor het effect van elke daad, zolang de goddelijke wil niet ingrijpt om dit effect, als deze de medemens schaadt, te verhinderen, als dat nuttig is voor het zielenheil van de mens. De mens kan dus wel een bepaald effect van zijn handelen nastreven en zodoende is zijn wil op dit effect gericht.
Maar de goddelijke wil is doorslaggevend, als het gaat om welke ontwikkeling een beoogde handeling zal hebben. En zo vindt daarom elk wereldgebeuren overeenkomstig de goddelijke wil plaats, om het even of het door de mens teweeggebracht of tot uitvoering gebracht werd. De mensen hebben er weinig begrip voor dat hun wil uitgeschakeld wordt, ofschoon deze de reden is van elke aardse gebeurtenis. En toch is dit er het beste bewijs voor, dat geen mens van tevoren precies kan zeggen, hoe dit of dat gebeuren af zal lopen en dat ze vaak met een geheel andere afloop rekening moeten houden, dan met hun wil overeenstemt.
God geeft de mens dus schijnbaar de vrije wil, maar zodra deze misbruikt wordt met een aan God vijandige bedoeling, zodra de wil van de mens vernietigend tot uiting komt, is Zijn wil, die de vernietiging pas dan toelaat, als deze nuttig is voor het zielenheil, direct herkenbaar. Want de goddelijke wil regeert over alles, zowel over het universum alsook over het geestelijke rijk. De goddelijke wil kan niet uitgeschakeld worden, ofschoon het ook lijkt dat de mens door zijn wil de aardse gebeurtenissen bepaalt.
Maar zoals deze zijn wil gebruikt, zo moet hij eens daarover verantwoording afleggen. Of hij zijn wil opbouwend of vernietigend actief laat worden, is doorslaggevend voor zijn geestelijke ontwikkeling, ofschoon God Zijn wil daar tegenoverstelt en het effect van de menselijke wil verhindert.
Amen