Door de overdracht van gedachten van het lichtrijk naar de aarde kan de mens op zo’n manier een buitengewone kennis gegeven worden, dat die absoluut niet onnatuurlijk lijkt. En de mensen nemen er ook geen aanstoot aan, omdat ze het gedachtengoed als zelf verworven beschouwen. En toch zijn de wezens in het geestelijke rijk actief, omdat de mens anders volledig zonder gedachten zou zijn, de puur aardse gedachten, die enkel en alleen functies van de lichamelijke organen zijn, niet meegerekend.
De mens weet niet wat de gedachte is. Hij ziet zichzelf als de schepper van elke gedachte en is toch alleen maar een opnamestation van de uitstraling van de wezens in het hiernamaals. De gedachte is dus de altijddurende krachtstroom, die evenwel enkel van goede of ook van slechte uitwerking kan zijn, al naar gelang de wil van de mens als de bron van deze krachstroom. Zodra de mensen op aarde wederzijds hun gedachten uitwisselen, proberen de wezens in het hiernamaals zich ook te uiten en ze kunnen dit alleen maar via de gedachten, omdat de werkzaamheid van de gedachten hun eigenlijke leven is.
De oorspronkelijke gedachte van mens tot mens wordt ook eerst in het hart geboren, voordat de mens deze uitspreekt. En deze moet eerst door deze krachten in het hart gelegd worden. Het wezen in het hiernamaals spreekt in zekere zin van tevoren met de mens, echter niet hoorbaar, maar enkel via de gedachten en al naar gelang de wil van de mens gebruikt hij deze gedachten. De inhoud van de gedachten, die de mens gegeven worden, zijn overeenkomstig de rijpheidsgraad van de gever.
De lichtwezens dragen diep geestelijke kennis op de mens over en ze geven bij alle vragen en twijfels, die God en de eeuwigheid betreffen, opheldering. Ze geven hem opheldering over zijn eigenlijke opdracht op aarde. Ze delen enkel de zuiverste, meest lichtvolle waarheid uit, omdat ze een rechtstreekse verbinding hebben met God.
Maar wezens, die deze graad nog niet bereikt hebben, die zelf nog onwetend zijn, omdat ze onvolmaakt zijn, proberen hun gedachten eveneens op die mensen over te dragen, omdat in hen allen een mededelingsdrang aanwezig is. Maar deze gedachten komen niet met de waarheid overeen, omdat ze de waarheid zelf niet kennen en ze vanwege een aan God vijandige inwerking verkeerd denken. En bijgevolg proberen ze ook de gedachten van een mens in een richting te duwen, die meer met de wil van de tegenstander van God overeenkomt. Ze leiden deze naar aardse zaken, omdat deze dichter bij hun kennis liggen.
Zodoende worden ook de aardse gedachten op een bepaalde manier door de wezens in het hiernamaals beïnvloed. Ze worden direct door de denkorganen opgenomen en verwerkt, terwijl de geestelijke gedachten in het hart geboren worden, omdat dan lichtgeest tot lichtgeest spreekt. Omdat de geest in de mens, de goddelijke vonk, de uiting van de lichtwezens in ontvangst neemt en deze nu vanuit het hart naar de hersenen geleid wordt, waar de wil van de mens deze in zijn gedachtengoed opneemt.
Het is altijd een uitwisseling van gedachten van het hiernamaals naar de aarde, maar welke wezens zich uiten, dat bepaalt de mens zelf door zijn wil. In zijn verlangen naar de wereld is hij voor de invloed van deze wezens toegankelijk, die nog aardsgezind zijn en die daarom weinig geestelijke kennis hebben en als ze zich daarover uiten, alleen maar verkeerde gedachten naar de mens leiden.
Daarentegen zal de naar waarheid verlangende mens, wiens streven geestelijke kennis betreft, alleen maar door waarheidsdragers bedacht worden. Deze kracht van hen wordt in de vorm van gedachten op de mens overgedragen en de mens moet wetend worden, als hij aan deze gedachten aandacht schenkt. Want deze zijn niet van hemzelf uitgegaan.
De gedachte is een geestelijk goed, dus iets onvergankelijks, wat niet bij de dood van de mens ophoudt, maar in het geestelijke rijk blijft bestaan, enkel waarheid of dwaling overeenkomstig de wil en de levenswandel van de mens bevattend. En de wezens in het hiernamaals trachten beiden naar de aarde over te brengen, doordat ze proberen het denken van de mensen te beïnvloeden.
Amen
VertalerMediante la trasmissione di pensieri dal Regno di Luce all’uomo sulla Terra può essere trasmesso un sapere insolito in un modo, che non sembra per nulla sopranaturale. E gli uomini non si urtano nemmeno per ciò, perché considerano il bene dei pensieri come conquistato da sé. E comunque gli esseri nel Regno spirituale sono attivi, altrimenti l’uomo sarebbe totalmente senza pensieri, per non contare i pensieri puramente terreni, che sono semplicemente delle funzioni degli organi corporei. L’uomo non sa che cos’è il pensiero; egli vede sé stesso come creatore di ogni pensiero ed è comunque soltanto una stazione di accoglimento per l’irradiazione degli esseri nel Regno dell’aldilà. Il pensiero è perciò la corrente di Forza che dura sempre, che ora però può essere di effetto buono come anche cattivo, secondo la volontà dell’uomo come la fonte di questa corrente di Forza. Come sulla Terra gli uomini si scambiano reciprocamente i loro pensieri, così anche gli esseri dell’aldilà cercano di manifestarsi, e lo possono fare soltanto mentalmente, perché l’attività dei pensieri è la loro vera vita. Il vero pensiero da uomo a uomo nasce nel cuore, prima che l’uomo lo esprima. E nel cuore deve essere prima posto da quelle Forze, poi per primo parla per così dire l’essere dall’aldilà con l’uomo, ma non in modo udibile, soltanto mentalmente, e solo in un secondo tempo la volontà dell’uomo rivaluta questo pensiero. Rispetto al grado di maturità dei donanti è anche il contenuto dei pensieri, che vengono trasmessi agli uomini. Gli esseri di Luce trasferiscono un sapere profondamente spirituale sugli uomini, e gli spiegano tutte le domande ed i dubbi che riguardano Dio e l’Eternità; gli forniscono chiarimento sul loro proprio compito sulla Terra. Loro diffondono solamente la più pura, più luminosa Verità, perché stanno in diretto contatto con Dio. Ma degli esseri che non hanno ancora raggiunto questo grado, che loro stessi sono ancora ignari perché sono imperfetti, cercano pure di trasferire i loro pensieri sugli uomini, perché tutti possiedono la spinta di trasmettere. Ma questi pensieri non corrispondono alla Verità, perché loro stessi non conoscono la Verità e si trovano nel pensare errato tramite l’influenza avversa a Dio. E di conseguenza cercano di spingere anche i pensieri degli uomini in una direzione, che corrisponde più alla volontà dell’avversario di Dio; li guidano su cose terrene, perché a loro è più vicino questo sapere. Quindi i pensieri terreni vengono anche influenzati in un certo senso dagli esseri dell’aldilà; vengono accettati ed elaborati subito dagli organi del pensare, mentre i pensieri spirituali nascono nel cuore, perché allora parla lo spirito di Luce allo spirito di Luce, perché lo spirito nell’uomo, la scintilla divina, accoglie la manifestazione degli esseri di Luce e li guida ora dal cuore al cervello, dove la volontà dell’uomo li inserisce nel bene dei suoi pensieri. E’ sempre uno scambio di pensieri dall’aldilà alla Terra, ma quali esseri si esprimono, lo determina l’uomo stesso mediante la sua volontà. Nel desiderio per il mondo l’uomo è accessibile all’influenza di quegli esseri, che sono ancora di senso terreno e perciò hanno poco sapere spirituale e quando si esprimono su questo, trasmettono all’uomo soltanto dei pensieri sbagliati. Incede l’uomo che desidera la Verità, il cui tendere è per il sapere spirituale, vengono provveduti soltanto dai portatori della Verità. Loro trasmettono questa loro Forza in forma di pensieri agli uomini, e l’uomo deve diventare sapiente, quando bada a tali pensieri. Perché non sono proceduti da lui stesso. Il pensiero è il bene spirituale, quindi è qualcosa che non passa, che non termina con la morte dell’uomo, ma che continua ad esistere nel Regno spirituale, celando soltanto Verità o errore rispetto alla volontà ed il cammino di vita dell’uomo. Ed ambedue i tipi di esseri dell’aldilà cercano di trasferire i loro pensieri sulla Terra, mentre cercano di influenzare il pensare dell’uomo.
Amen
Vertaler