Vergelijk Kundgabe met vertaling

Meer vertalingen:

Geloof in het werkzaam zijn van geestelijke krachten – Een voortleven

Om de verbinding aan te kunnen knopen met de geestelijke krachten, moet de mens ook in hen geloven. Hij moet deze krachten eerst erkennen, voordat hij het contact met hen tot stand kan brengen. En daartoe behoort in de eerste plaats het geloof in een voortleven van de ziel.

De ziel is er ook op aarde bepalend voor geweest, dat de mens kracht toestroomde. Zodoende moet de ziel ook in het hiernamaals ontvanger van kracht kunnen zijn, al naar gelang de graad van haar volmaaktheid. Dit geloof gaat aan het werkzaam zijn van de geestelijke krachten vooraf, want alleen maar als de mens hiervan overtuigd is, kunnen deze krachten zich openbaren, want enkel dan verbindt de mens zich in gedachten met deze krachten en deze kunnen zich nu uiten.

Maar het is heel moeilijk om de mensen het bewijs van dit werkzaam zijn te leveren, zolang ze zelf nog weinig geestelijk ingesteld zijn. En daarom zullen ze ook zelden een poging doen om deze geestelijke wezens om hun krachtuitstraling en hun overdracht te vragen. Ze zullen de verbinding pas tot stand brengen, als ze diep geloven dat dit mogelijk is.

En de leer van de “rust van de doden”, die elke werkzaamheid van de zielen in het hiernamaals in twijfel trekt en zodoende ook een geestelijk werkzaam zijn ontkent, draagt nog aanmerkelijk aan dit ongeloof bij. Dit is een misleidende leer, die nadelige gevolgen van de grootste betekenis heeft. De geest kan nooit rusten. Hij kan in een niet tot leven gewekte toestand blijven, zolang hij in de ziel van de mens geen werkzaamheid in liefde voelt door degene, die hem zijn werkzaam zijn mogelijk moet maken. En net zo zal de geest in het hiernamaals onophoudelijk actief zijn, zodra hij het zich het recht daartoe op aarde of in het hiernamaals verworven heeft.

En de kennis van het verlossingswerk, dat in het hiernamaals verder gaat, is ook de verklaring voor het onvermoeibaar werkzaam zijn van de zielen van wie de rijpheidsgraad hoger is. De mensen moeten vertrouwd gemaakt worden met een kennis, dat zij in het werkzaam zijn van deze zielen kunnen geloven en weer is het overdragen van deze kennis uit het geestelijke rijk pas het gevolg van het geloof in het werkzaam zijn van geestelijke krachten.

Maar God komt de mensen tegemoet, doordat Hij hen deze kennis door een bereidwillig mens door laat geven, waaraan voor hen het werkzaam zijn van deze geestelijke krachten zichtbaar wordt. Hij geeft hun hier kennis over, opdat ze nu zelf de verbinding tot stand kunnen brengen, zodra ze zich ervan hebben laten overtuigen. Iedereen kan aan zichzelf de proef op de som nemen en als hij ernstig zijn best doet om de eisen te vervullen, die het werkzaam zijn van deze krachten tot gevolg hebben, zal dat een groot succes betekenen voor zijn ziel.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Peter Schelling

La fede nell’agire di Forze spirituali - La continuità della vita

Per poter allacciare il collegamento con le Forze spirituali, l’uomo deve anche credere nella loro esistenza, dapprima le deve riconoscere, prima che possa stabilire il contatto con loro. E per questo ci vuole per prima la fede in una continuità di vita dell’anima. Anche sulla Terra è stata determinante l’anima che all’uomo affluiva la Forza, quindi l’anima deve essere anche nell’aldilà la ricevente di Forza, secondo il grado della sua perfezione. Questa fede precede all’agire delle Forze, perché soltanto dove l’uomo ne è convinto, queste Forze spirituali possono manifestarsi, perché solo allora l’uomo si unisce in pensieri con quelle Forze ed ora si possono manifestare. Ma è molto difficile portare agli uomini la dimostrazione di questo agire, finché loro stessi sono ancora poco predisposti spiritualmente. E perciò loro stessi faranno anche raramente il tentativo di chiedere a quegli esseri spirituali la loro irradiazione di Forza e della trasmissione della stessa. Finché la fede non è profonda che tutto è possibile, non stabiliscono il collegamento. Ed a questa non-fede contribuisce ancora notevolmente la dottrina con il “riposo dei morti” che mette in discussione qualsiasi attività delle anime nell’aldilà e quindi rinnega anche l’agire spirituale. Questo è un insegnamento così errato che ha delle conseguenze svantaggiose della massima importanza. Lo spirito non può mai riposare, può rimanere non risvegliato finché nell’anima dell’uomo non sente nessuna attività d’amore che gli rende possibile il suo agire. E proprio così anche nell’aldilà lo spirito sarà inarrestabilmente attivo appena si è conquistato per questo il diritto sulla Terra o nell’aldilà. E nel sapere dell’Opera di Redenzione che procede nell’aldilà, è anche la spiegazione per l’instancabile agire delle anime che hanno un alto grado di maturità. All’uomo dev’essere portato un sapere che possa credere l’agire di quelle anime e nuovamente la trasmissione di questo sapere dal Regno spirituale è solo la conseguenza della fede nell’agire di Forze spirituali. Ma Dio viene incontro agli uomini, mentre fa trasmettere loro questo sapere attraverso una persona volenterosa sulla quale si rivela l’agire di quelle Forze spirituali. Essa ne dà loro conoscenza affinché loro stessi ora possano stabilire il collegamento, appena se ne lasciano convincere. Ognuno può fare la prova su sé stesso e se si sforza seriamente ad adempiere le precondizioni che hanno per conseguenza l’agire di quelle Forze, avrà un grande successo per la sua anima.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Ingrid Wunderlich