Het geloof en de liefde leiden naar het eeuwige leven, naar de gelukzaligheid. Maar het één is zonder de ander niet in te denken. Wie in de liefde leeft, is door de liefde, die immers God Zelf is, innig met God verbonden. Zodoende herkent hij God ook in alles, wat hem omgeeft. Hij ziet Hem als de Schepper van alle dingen, Die alles kan verrichten wat Hij wil en Die Zijn enorme liefde ertoe brengt om in alle wijsheid werkzaam te zijn.
En zodoende gelooft hij in een God van liefde, wijsheid en almacht. Hij gelooft dat hij Zijn schepsel is, uit Hem voortgekomen is en onscheidbaar met Hem verbonden is. En hij herkent ook zijn bestemming en zijn doel, want de liefde maakt hem wijs. Hij kan niet anders denken dan goed, omdat hij in de liefde staat. En hij herkent zijn denken en weten als waarheid en is daarvan overtuigd. Zodoende gelooft hij.
En opnieuw zal een mens, die in een liefdevolle, wijze en almachtige Schepper van de hemel en de aarde gelooft, niet anders kunnen, dan in liefde leven, want deze kennis, dit overtuigde geloof, moet een werkzaam zijn in liefde tot gevolg hebben, omdat het anders alleen maar holle woorden zijn, als de mens zijn geloof betuigt. Woorden waarin de liefde ontbreekt. Want als de mens geen activiteiten in liefde verricht, dan is de wijsheid ook niet in hem en zodoende ontbreekt het hem aan het vermogen van het inzicht. Het ontbreekt hem aan het geloof, ofschoon hij dit door woorden wil betuigen.
Zodoende is het geloof dood, want het levende geloof heeft onvermijdelijk een werkzaam zijn in liefde tot gevolg, omdat degene die God herkent, Hem ook lief moet hebben. En God zal hém weer liefhebben en dit betekent dat de mens zich nu gedrongen voelt om in liefde werkzaam te zijn, omdat de liefde van God als kracht naar hem toestroomt, die tot activiteit aanspoort.
De liefde kan echter verschillend van sterkte zijn en daarom moet ook de liefhebbende mens worstelen om een sterk, onwankelbaar geloof. Want een zwak geloof brengt ook het werkzaam zijn in liefde in gevaar of het vermindert dit werkzaam zijn. Hoe dieper het geloof van de mens is, des te ijveriger doet hij zijn best om de geboden van God te houden, die onbaatzuchtige liefde voor de naaste vereisen.
De kracht van het geloof bepaalt dus de werkzaamheid in liefde van de mens en daarom kan men gerust aan het geloof van een mens twijfelen of deze als een dood geloof bestempelen, als hij geen acht slaat op de geboden van liefde, ofschoon hij door woorden een diep geloof probeert voor te wenden. Want geloof en liefde zijn niet zonder elkaar in te denken, omdat degene die in de liefde staat ook moet geloven, want liefde is kracht uit God, die de mens ook tot het inzicht leidt. Want iets inzien, betekent in de waarheid hiervan geloven.
De mens, die tot liefde in staat is, zal zodoende ook diep in het geloof staan, want God Zelf leidt hem tot het inzicht. Dat wil zeggen dat Hij hem verlicht, zodat hij nu met volle overtuiging kan geloven. Dat zijn geloof levend is. Dat hij werkzaam in liefde is, omdat hij gelooft.
Amen
VertalerA fé e o amor levam à vida eterna, à bem-aventurança. Mas um não pode ser pensado sem o outro. Quem vive no amor está intimamente unido a Deus através do amor, que é o próprio Deus.... Então ele também reconhece Deus em tudo o que o rodeia.... Ele O vê como o Criador de todas as coisas, que pode realizar tudo o que Ele quer e a quem o seu destino maior do que o grande amor para trabalhar em toda a sabedoria. E assim ele acredita num Deus de amor, sabedoria e omnipotência.... ele acredita que é o seu ser criado, surgiu d'Ele e inseparavelmente unido a Ele.... E ele também reconhece seu propósito e objetivo, pois o amor o torna sábio, ele não pode pensar a não ser bom e certo, porque ele está apaixonado.... E ele reconhece o seu pensamento e conhecimento como verdade, ele está convencido disso, então ele acredita.... E mais uma vez, uma pessoa que acredita num Criador amoroso, sábio e onipotente do céu e da terra não poderá fazer outra coisa senão viver no amor, pois esta realização, esta fé convicta, deve resultar num efeito de amor, caso contrário só serão palavras vazias se a pessoa afirmar a sua fé.... Palavras que não têm vida.... Pois se o ser humano não realiza obras de amor, a sabedoria também não está nele, e por isso lhe falta o poder do conhecimento. Falta-lhe fé, apesar de querer testemunhá-la através de palavras. Portanto, a fé está morta, pois a fé viva resulta inevitavelmente em obras de amor, pois quem reconhece a Deus deve também amá-Lo. E Deus irá amá-lo novamente, e isto significa que o ser humano se sente agora impelido a ser ativo no amor, porque o amor de Deus flui para ele como força que o impele à atividade. Mas a fé pode variar em força e, portanto, o ser humano amoroso também deve lutar por uma fé forte e inabalável.... Para uma fé fraca também põe em perigo ou reduz o efeito do amor. Quanto mais profunda é a fé de uma pessoa, tanto mais avidamente ela se esforça por guardar os mandamentos de Deus, que exigem amor desinteressado pelo próximo. A força da fé, portanto, determina a atividade de amor da pessoa e, portanto, pode-se duvidar confiantemente da fé de uma pessoa ou chamá-la de fé morta se ela ignorar os mandamentos do amor, mesmo que ela tente fingir uma fé profunda através das palavras. Porque a fé e o amor não podem ser pensados um sem o outro, porque quem está no amor também deve acreditar, porque o amor é a força de Deus que também guia o ser humano para o reconhecimento. Mas reconhecer algo significa acreditar na sua verdade. Assim, a pessoa capaz de amar também terá fé profunda, pois o próprio Deus o guia para o reconhecimento, ou seja, ilumina-o para que agora possa acreditar com plena convicção.... que a sua fé é viva, que ele trabalha no amor porque acredita...._>Amém
Vertaler