Vergelijk Kundgabe met vertaling

Meer vertalingen:

Liefde voor de materie is een geestelijke achteruitgang

Elke materialistische gedachte helpt tot het vermeerderen van de materie en is dus hinderlijk voor de vooruitgang van de ziel. Want zodra de mens naar materie verlangt, wordt de ziel in een toestand teruggeworpen, die ze sedert lang overwonnen had. Ze gaat dus weer de verbinding met deze materie aan. Ze sluit zich weer aan bij het nog onrijpe geestelijke in de materie en dit betekent voor de ziel altijd een achteruitgang. Zodoende moet de mens zijn gedachten altijd los kunnen maken. Hij moet contact zoeken met het geestelijke, dat op een hogere trede staat en hij mag het eenmaal tot stand gebrachte contact niet verbreken, doordat hij naar dat verlangt, wat deel is van de tegenstander van God. Deze zal de gedachten van de mens steeds kwellen. Het zal zich aan hem presenteren in de vreugden van de wereld, in aardse genietingen of aards bezit en het zal de mens willen verleiden om enkel zulke genietingen toegedaan te zijn.

En het staat de mens vrij om voor of tegen God te kiezen. En als hij nu meer naar de wereld neigt, doet hij door zijn instemming de materie toenemen. De gedachte is geestelijke kracht, die nu op de verkeerde manier gebruikt wordt, als de mens zich in gedachten bezighoudt met dat, wat hij moet overwinnen. Hij moet zijn aardse opdracht wel te midden van de materie vervullen, maar steeds alleen maar op zo’n manier, dat hij de materie helpt zich te bevrijden. Dat hij deze naar haar eigenlijke doel leidt, dat wil zeggen ertoe brengt te dienen. Dat hij dus deze materie gebruikt tot welzijn van de medemens en hij daardoor eveneens dienend bezig is.

Maar zodra hij de materie voor zichzelf begeert om zich daardoor een aangenaam leven te verschaffen, betreft zijn liefde het nog onrijpe geestelijke, dat hij aan zich probeert te binden, maar niet wil bevrijden. Dit is een verkeerde liefde. Het is de begeerte naar bezit, hetgeen nooit bevorderlijk is voor de ziel, want de mens streeft naar beneden in plaats van omhoog. Hij zoekt de vereniging met dat, wat hij allang overwonnen had en zo zet hij een stap achteruit.

Maar als hij het geestelijke in de materie helpt, doordat hij een dienende activiteit voor hem mogelijk maakt, dan verkort hij diens ontwikkelingsgang aanzienlijk. Hij helpt het geestelijke om zijn uiterlijke vorm te overwinnen. Zo neemt de materie dan niet toe, maar vermindert het zich, terwijl het geestelijke daarin vrijkomt om in een nieuw materieel omhulsel weer de strijd tegen de materie te beginnen.

Als de liefde van de mens de materie betreft, dus het uiterlijke omhulsel, dan moet deze liefde bestreden worden. Als ze echter het geestelijke in het omhulsel betreft, dan zal de liefde verlossend werkzaam zijn. Ze zal het geestelijke naar de vrijheid helpen, terwijl de liefde voor de materie het geestelijke veel langer in de vorm gevangenhoudt, omdat ze hier geen afstand van wil doen en zo’n liefde betekent voor lange tijd gevangenschap voor het geestelijke, dat de materie niet kan ontvluchten, omdat het overwinnen van de materie hem onmogelijk gemaakt wordt.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Peter Schelling

L’amore per la materia è retrocessione (spirituale)

Ogni pensiero materiale aiuta ad aumentare la materia e quindi è d’ostacolo al progresso dell’anima, perché appena l’uomo desidera la materia, l’anima viene retrocessa nello stato che ha da tempo superato. Perciò entra di nuovo nel legame con questo materiale, si unisce di nuovo con lo spirituale ancora immaturo nella materia e questo significa per l’anima sempre una retrocessione. Quindi l’uomo deve poter staccare i suoi pensieri in ogni momento, deve cercare il contatto con lo spirituale che si trova su un gradino superiore e non deve sciogliere il contatto una volta stabilito, mentre desidera ciò che è parte dell’avversario di Dio. Questo opprimerà sempre i pensieri dell’uomo, gli si presenterà nelle gioie del mondo, nei godimenti terreni oppure nel possesso terreno e vorrà sedurre l’uomo di adulare solo tali godimenti per allontanarlo da Dio. E l’uomo è libero di decidersi per o contro Dio. E se ora si china più al mondo, aumenta la materia attraverso la sua approvazione. Il pensiero è Forza spirituale che ora viene usata nel modo sbagliato, quando l’uomo si occupa mentalmente con ciò che deve superare. Deve bensì adempiere il suo compito terreno in mezzo alla materia, ma sempre soltanto nel modo che aiuti a dissolvere la materia, che la guidi alla sua vera destinazione, cioè ad indurla al servizio, che utilizzi ogni materia per il bene del prossimo e così pure lui si attiva servendo. Ma appena desidera per sé la materia per crearsi con questa una vita piacevole, il suo amore è rivolto allo spirituale ancora immaturo che cerca di incatenare a sé, ma non lo vuole liberare. Questo è un falso amore, è una brama di possesso che non promuove mai l’anima, perché l’uomo tende verso il basso invece che verso l’Alto, cerca l’unificazione con ciò che ha da tempo superato e si forma di conseguenza in retrocessione. Ma se aiuta lo spirituale nella materia, mentre gli rende possibile un’attività servente, allora abbrevia notevolmente il suo percorso di sviluppo, aiuta lo spirituale a superare la sua forma esteriore. Quindi la materia allora non viene aumentata, ma diminuita, mentre lo spirituale in essa diventa libero per cominciare la lotta contro la materia in un nuovo involucro materiale. Se l’amore dell’uomo è rivolto alla materia, quindi all’involucro esteriore, allora dev’essere combattuto, ma se è rivolto allo spirituale nell’involucro, allora l’amore agisce in modo liberatorio, aiuterà lo spirituale alla libertà, mentre l’amore per la materia relega lo spirituale nella forma per un tempo più lungo, perché non se ne vuole liberare questo significa per lo spirituale tempi lunghi di prigionia, non può sfuggire alla materia, perché gli viene reso impossibile superare la materia.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Ingrid Wunderlich