Wie in staat is in de diepste diepten van de goddelijke wijsheid binnen te dringen, die hoeft niet meer te vrezen dat zijn ziel verloren gaat, want hij wordt door de liefde van God gegrepen, die hem onherroepelijk tot zich trekt. En als de mens nu beproevingen op aarde ten deel valt, keert zijn ziel zich alleen nog maar meer naar binnen en gaat het de verbinding met de geest aan, die onstuitbaar naar de hoogte dringt. En steeds meer kennis wordt zijn deel, want de geest uit God kent geen grenzen en de mens put onophoudelijk uit de bron, die de goddelijke wijsheid hem biedt.
Het is Gods grote liefde, dat Hij de mensen nog tijdens het aardse leven deel laat hebben aan Zijn licht. Dat Hij de stralen van Zijn eeuwige licht in het hart van de mens laat vallen, opdat het licht in hem wordt. En licht is kennis. Licht is goddelijke wijsheid, die nooit overtroffen kan worden en toch eeuwig hetzelfde blijft. De waarheid uit God.
In wiens hart het licht eenmaal zijn stralen geworpen heeft, die zal geen duisternis meer kennen, want zijn kennis kan hem nooit meer ontnomen worden. Het is als de aanbrekende dag, die steeds alleen maar in helderheid toeneemt. De muren, die het licht de toegang hebben belet, zijn afgebroken en nu vloeit de stroom van goddelijke liefde onstuitbaar in die mens over, die zodoende in wijsheid en dus ook in kracht toeneemt. Het lichaam voelt niet altijd de kracht, maar de kracht drijft de ziel onophoudelijk omhoog en elke dag brengt haar vooruitgang. Ze streeft het eeuwige licht tegemoet. Ze rijpt onder de inwerking van dit licht en ze hoeft geen teruggang meer te vrezen, want haar verlangen betreft eeuwig alleen maar de vereniging met het oerlicht: met God.
En waar kennis is, daar zal ook liefde zijn, want de wijsheid is zonder de liefde niet in te denken. Kennis spoort de mens tot een werkzaam zijn in liefde aan en dat vergroot weer zijn kennis. En God als de eeuwige liefde trekt de ziel, die in de liefde leeft, tot Zich en bekroont haar met Zijn genadegeschenk. Hij laat haar nog tijdens haar leven op aarde kijken in het geestelijke rijk. En Hij doet haar kennis toenemen van dat, wat buiten de aarde is. Hij laat haar deelhebben aan de eeuwige heerlijkheid. Hij laat haar een blik werpen in het rijk van de vrede.
En de ziel behoudt haar kennis, zolang ze nog op aarde verblijft en ze gebruikt het in dienst van de medemensen en probeert ook op hen de kennis over te dragen. Pas dan, als de mens wetend is, bevindt hij zich in het rijk van het licht. En het is Gods wil, dat het licht wordt in de mensheid. Dat ze streeft naar licht in het hart. Dat ze een verlangen heeft naar het licht. Naar goddelijke wijsheid.
Amen
VertalerChi è in grado di penetrare nelle più profonde profondità della Sapienza divina non deve più temere che la sua anima vada perduta, perché è afferrato dall’Amore di Dio che lo attira irrevocabilmente a Sé. E se ora all’uomo sono destinate sulla Terra delle prove, la sua anima entra ancora di più nell’interiore e stabilisce il collegamento con lo spirito che spinge inarrestabilmente verso l’Alto. E la sua parte è sempre un maggior sapere perché lo spirito da Dio non conosce limiti e l’uomo attinge continuamente dalla Fonte che gli offre la Sapienza divina. Questo è il grande Amore di Dio che fa prendere parte all’uomo ancora nella vita terrena alla Sua Luce, che lascia cadere i raggi della Sua eterna Luce nel cuore dell’uomo affinché si faccia Luce in lui. E Luce è sapere, Luce è la Sapienza divina che non può mai e poi mai essere superata e rimane comunque eternamente la stessa. La Verità da Dio. Una volta che la Luce ha gettata i suoi raggi in un cuore, costui non conoscerà più nessuna tenebra, perché non gli può essere tolto il suo sapere, è come l’alba di un giorno che aumenta solo in chiarore. Le mura che vietano l’accesso alla Luce, sono abbattute ed ora la Corrente dell’Amore divino fluisce inarrestabilmente sull’uomo che quindi aumenta in sapienza e con ciò anche in Forza. Il corpo non sente sempre la Forza, ma questa spinge l’anima continuamente verso l’Alto ed ogni giorno le porta progresso, tende incontro all’eterna Luce, matura sotto l’influenza di questa Luce e non deve più temere nessun regresso, perché il suo desiderio è rivolto eternamente solo all’unificazione con la Luce Ur, con Dio. E dov’è il sapere, quivi sarà anche l’amore, perché la Sapienza è impensabile senza l’amore. Il sapere spinge l’uomo all’attività d’amore e questo aumenta di nuovo il suo sapere. E Dio come l’eterno Amore attira a Sé l’anima che vive nell’amore e l’incorona con il Suo Dono di Grazia. Le fa dare uno sguardo nel Regno spirituale ancora nella sua vita terrena e le aumenta il sapere su ciò che si trova al di fuori della Terra. La fa prendere parte nell’eterna Magnificenza, le fa dare lo sguardo nel Regno della Pace. E l’anima conserva il suo sapere finché dimora ancora sulla Terra e lo valuta nel servizio ai prossimi e cerca di trasferire anche a loro questo sapere, perché soltanto se l’uomo è sapiente si trova nel Regno della Luce. Ed è la Volontà di Dio che si faccia Luce nell’umanità, che tenda al chiarore nel cuore, che abbia il desiderio per la Luce, per la Sapienza divina.
Amen
Vertaler