De mens moet zichzelf tot verdraagzaamheid opvoeden, want deze deugd is absoluut noodzakelijk, als de ziel in het hiernamaals aan het verlossingswerk deel wil nemen. Vaak meer nog dan op aarde zal de ziel weerstand ondervinden, als ze de onwetende en lijdende zielen ertoe wil bewegen om aansporingen en onderrichtingen aan te nemen en enkel door het grootste geduld kan ze deze zielen voor zich winnen en nu haar arbeid aan hen beginnen. De toestand van lijden van deze zielen draagt er niet aan bij, dat ze gewillig zijn om op te nemen. Veel eerder wijzen ze de zielen, die hen willen helpen, af, want hun ontbreekt elk geduld, omdat ze nog onvolmaakt zijn.
Maar de al rijpere ziel mag zich niet van de wijs laten brengen. Ze moet met een onvermoeibaar geduld steeds weer proberen om met hen in verbinding te komen. Ze moet hen zelf liefdevol terzijde staan en de aanvankelijke afkeer van hen proberen te veranderen. Ze moet elke mislukte poging herhalen en zodoende steeds weer deze zielen naderen en hen hun smartelijke toestand bekend maken en hen tegelijkertijd adviseren, wat ze moeten doen om de toestand van hun ziel op te heffen.
Enkel het uiterste geduld en de grootste liefde levert hun succes op. Maar dit succes is voor het hulpvaardige wezen onnoemelijk gelukkig makend en spoort het aan om onophoudelijk in het geestelijke rijk werkzaam te zijn. De ziel, die ooit dit geluk geproefd heeft, die in de diepten van het rijk aan de andere kant gekeken heeft, zal nooit ophouden om voor de verlossing van deze wezens actief te zijn. Haar eigen lichttoestand stelt haar in staat om licht door te geven en de liefde voor de onvolmaakte wezens drijft haar hier onophoudelijk toe.
Maar het zachtaardigste gemoed is bevorderlijk, als de rijpere ziel succes wil boeken. Daarom moet op aarde het geduld beoefend worden. De mens moet zachtmoedig, verdraagzaam en steeds bereid zijn om hulp te brengen aan de naaste. Dan zal hij ook zijn taak in het hiernamaals kunnen vervullen, die erin bestaat om het van God afgekeerde geestelijke te bereiken en het vertrouwd te maken met alleen die goederen, die waardevol zijn voor de eeuwigheid.
Amen
VertalerL’uomo si deve educare alla tolleranza, perché questa virtù è assolutamente necessaria se l’anima vuole partecipare nell’aldilà all’Opera di Redenzione. Più sovente che sulla Terra all’anima viene opposta resistenza, quando vuole muovere le anime ignare e sofferenti ad accettare gli ammonimenti ed insegnamenti e soltanto tramite la massima pazienza può conquistare per sé queste anime ed ora iniziare il suo lavoro su di loro. Lo stato di sofferenza di queste anime non contribuisce che siano volenterose di accogliere, ma rifiutano piuttosto le anime che vogliono aiutarle, perché a loro manca ogni pazienza, dato che sono imperfette. Ma l’anima già più matura non deve lasciarsi irretire, deve cercare sempre di nuovo in instancabile pazienza di entrare in contatto con loro, lei stessa deve assisterle amorevolmente e cercare di modificare il loro iniziale rifiuto, deve ripetere ogni tentativo fallito ed avvicinarsi sempre di nuovo a queste anime e presentare loro il loro stato di sofferenza e proporre loro contemporaneamente che cosa devono fare per elevare il loro stato. Soltanto la più estrema pazienza e grande amore producono un successo. Questo successo però rende l’essere che aiuta indicibilmente felice e lo sprona ad essere ininterrottamente attivo nel Regno spirituale. L’anima che ha gustato una volta questa felicità, che ha guardato negli abissi di quel Regno dell’aldilà, non cesserà mai ad essere attiva per la Redenzione di questi esseri. Il suo proprio stato di Luce la rende capace di dare ad altri la Luce e l’amore per gli esseri imperfetti la spinge costantemente a questo. Ma è necessario l’animo più mite, se l’anima più matura vuole registrare un successo. Allora la pazienza deve essere esercitata sulla Terra, l’uomo deve essere mansueto, pacifico e sempre pronto a portare l’aiuto al prossimo, allora potrà adempiere il suo compito anche nell’aldilà, che consiste nel fatto di conquistare lo spirituale distolto da Dio e di portargli vicino i beni che sono gli unici preziosi per l’Eternità.
Amen
Vertaler