Geestelijke kost geeft de mensen de benodigde kracht om weerstand te bieden tegen het kwaad en voor de arbeid aan de ziel. En hij hoeft daarom niet te vrezen, dat het hem aan kracht zou kunnen ontbreken als hij deze nodig heeft. Dat wil zeggen als hij de wil heeft om geestelijk opwaarts te gaan. De wil zal hem ook steeds de kracht geven, die door het in ontvangst nemen van het goddelijke woord de mens bezorgd kan worden.
Zijn geestelijke honger zal altijd gestild worden en hij zal het voedsel voor de ziel niet meer willen missen, als hij daar eenmaal mee gevoed werd. Want het is een goddelijk geschenk. Het is de uiting van Zijn liefde. Het is de toevoer van kracht en versterking. Als de mens deze eenmaal ontvangen heeft, betekent het voor de mens een gebrek, als de mens dit geschenk ontbeert. En God ontneemt hem dit goddelijke geschenk niet willekeurig en dus blijft de voeding van de ziel een voortdurende, zolang de mens zelf het genadegeschenk niet veronachtzaamt.
Maar nu gebiedt de liefde om ook de medemens geestelijk voedsel aan te bieden. Hem in zekere zin eveneens te voeden, opdat hij de weg over de aarde zo af kan leggen, zoals het Gods wil is. Pas dan bewijst de mens het waardig te zijn om door God met Zijn liefde bedacht te worden.
De liefde moet de mensen aansporen om de medemensen hetzelfde te geven, als wat voor hen onontbeerlijk geworden is. Het moet de kracht en de genade doorgeven in het besef, dat zonder deze geestelijke kost de medemensen gebrek moeten lijden en dat God het genadegeschenk aan alle mensen op aarde toe laat komen. Want de mensen moeten voortdurend strijden tegen de boze krachten en hebben versterking nodig om met hun strijd door te kunnen gaan.
De geestelijke kost wordt door God uit liefde aan de mensen aangeboden en deze moet met dezelfde liefde aan de medemensen doorgegeven worden. Pas dan maakt de ontvanger van het goddelijke genadegeschenk zich waardig voor God en vervult het eerste gebod door de naaste lief te hebben als zichzelf.
Amen
VertalerO alimento espiritual dá ao ser humano a força necessária para resistir ao mal e para trabalhar na sua alma. E, portanto, ele não precisa temer que lhe falte força se precisar dela, ou seja, se ele tiver vontade de ascensão espiritual. A vontade também lhe dará sempre a força que pode ser fornecida ao ser humano através da aceitação da Palavra divina. Sua fome espiritual será sempre satisfeita e ele não vai mais querer perder o alimento da alma depois de ter sido alimentado com ele. Porque é um dom divino, é a expressão do Seu amor, é o fornecimento de força e fortificação que, uma vez recebido pelo ser humano, significa falta de alma. Mas Deus não lhe retira arbitrariamente esse dom divino, e assim o alimento da alma permanece constante enquanto o próprio ser humano não descuidar do dom da graça. Mas agora o amor dita que ele também deve oferecer alimento espiritual ao seu semelhante, para alimentá-lo por assim dizer, para que ele possa percorrer o caminho terreno de acordo com a vontade de Deus. Só então o ser humano se prova digno de receber o Seu amor de Deus. O amor deve impelir o ser humano a dar ao seu semelhante o que se tornou indispensável para ele; deve transmitir força e graça na realização de que sem alimento espiritual o seu semelhante terá de viver em carência e que Deus permitirá que o dom da graça chegue à terra para todos os homens..... Pois as pessoas devem lutar constantemente com as forças do mal e precisam de reforço para poderem travar a sua batalha. O alimento espiritual foi oferecido ao ser humano por Deus por amor, e deve ser transmitido ao próximo com o mesmo amor, só então o destinatário do dom divino da graça de Deus se tornará digno e cumprirá o primeiro mandamento de amar o próximo como a si mesmo...._>Amém
Vertaler