In de periode van de eeuwigheid betekent het niets in welke ontwikkelingsfase, dat wil zeggen in welke verlossingsperiode, het geestelijke de aardse gang aflegt, want de tijd daarvoor en ook daarna is zo eindeloos lang, dat de tijd van de gebondenheid in de vorm slechts als een ogenblik ingeschat kan worden. Evenwel is het voor het geestelijke zelf niet om het even, want hoe eerder het van de drukkende uiterlijke vorm bevrijd wordt, des te eerder worden voor hem de heerlijkheden van het geestelijke rijk ontsloten. Terwijl het voorheen tot de negatieve krachten behoorde, is het nu een positieve kracht geworden, om welke reden de tijd van het vrij komen niet ernstig genoeg nagestreefd kan worden. Ondenkbaar lange tijd heeft het God tegengewerkt, maar gedurende eeuwigheden is het nu werkzaam voor God en met God.
Maar zolang het geestelijke gebonden is, voelt het zich als een onvrij wezen en lijdt het en bovendien heeft het in deze tijd een ander idee van tijd en ruimte dan daarna in de eeuwigheid als vrij wezen. En zo lijkt deze tijd van onvrijheid ondraaglijk lang voor hem en dit ervaren van tijd wordt eveneens door God toegelaten om in het geestelijke het verlangen naar de vrijheid te versterken.
Wanneer dus het wezenlijke zich op aarde belichaamt, is onbelangrijk, Steeds zal hij deze tijd als uiterst lang durend ondervinden en daaronder lijden. Maar naderhand, als lichtwezen, lijkt deze tijd haar als een vluchtig ogenblik. Want als onvolmaakt wezen in het hiernamaals lijdt het nog onder dezelfde inschatting van tijd. De tijd van lijden lijkt vaak zelfs een nooit eindigende tijd, zodra het wezen tot een volledige passiviteit verdoemd is. Want des te groter is zijn kwelling, omdat het uitzicht op een verandering van zijn toestand, de kwelling van het wezenlijke zou verminderen.
Enkel het onvolmaakte wezen zal zodoende altijd het bewustzijn van tijd hebben, zowel op aarde, als in het hiernamaals, terwijl een volmaakt wezen noch aan tijd-, noch aan ruimtewetten onderworpen is. Voor hem is alles op elk moment aanwezig. Zodoende kent het voltooide geestelijke geen vergankelijkheid, tegenwoordige tijd en toekomst, maar is dit alles alleen maar een idee. Het wezen kan op hetzelfde moment alles tegelijk meemaken, hetgeen voor de mensen op aarde onbegrijpelijk is.
Maar de tijd van lijden van voorheen kan niet meer als tijd van lijden beschouwd worden, alleen maar als een louteringsproces, dat absoluut noodzakelijk en daarom onafwendbaar was, maar dat het niet meer als kwellend ervaart, omdat leed en kwellingen er voor het lichtwezen niet meer toe doen. In de toestand van vrijheid is het wezen zo buitengewoon gelukkig, dat het de proeftijd op aarde alleen maar als een noodzakelijk tussenstation beschouwt, dat hem dit onnoemelijk grote geluk opgeleverd heeft.
Amen
VertalerEs ist im Zeitraum der Ewigkeit ohne Bedeutung, in welcher Entwicklungphase, d.h., in welcher Erlösungsperiode das Geistige den Erdengang zurücklegt, denn die Zeit vorher und auch nachher ist so unendlich lang, daß die Zeit der Gebundenheit in der Form nur wie ein Augenblick bewertet werden kann. Dennoch ist es für das Geistige selbst nicht gleichgültig, denn je eher es von der drückenden Außenform befreit wird, desto eher werden ihm die Herrlichkeiten des geistigen Reiches erschlossen; also während es zuvor zu den negativen Kräften gehörte, ist es nun zur positiven Kraft geworden, weshalb die Zeit der Freiwerdung nicht ernst genug erstrebt werden kann. Undenklich lange Zeit hat es Gott entgegengewirkt, aber Ewigkeiten hindurch ist es nun tätig für Gott und mit Gott.... Doch solange das Geistige gebunden ist, fühlt es sich als unfreies Wesen und leidet, und zudem hat es in dieser Zeit einen anderen Begriff von Zeit und Raum als nachher in der Ewigkeit als freies Wesen. Und so erscheint ihm diese Zeit der Unfreiheit unerträglich lang, und dieses Zeitempfinden ist gleichfalls göttliche Zulassung, um in dem Geistigen das Verlangen nach der Freiheit zu verstärken. Wann also das Wesenhafte sich auf Erden verkörpert, ist belanglos, immer wird es diese Zeit als äußerst lange andauernd spüren und darunter leiden; nachher aber als Lichtwesen erscheint sie ihr als flüchtiger Augenblick.... Als unvollkommenes Wesen im Jenseits aber leidet es noch unter der gleichen Zeitschätzung.... oft sogar erscheint ihm die Leidenszeit nie-endend, sowie das Wesen zur völligen Untätigkeit verdammt ist. Denn desto größer ist seine Qual, weil die Aussicht auf Änderung seines Zustandes dem Wesenhaften die Qualen verringern würde. Das Bewußtsein von Zeit wird also immer nur das unvollkommene Wesen haben, auf Erden sowohl wie im Jenseits, während das vollkommene Wesen weder dem Zeit- noch Raumgesetz unterstellt ist. Ihm ist alles zu jeder Zeit gegenwärtig, also es kennt das vollendete Geistige keine Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft, sondern es ist dies alles nur ein Begriff.... Es kann das Wesen alles erleben zu gleicher Zeit, was den Menschen auf Erden unverständlich ist. Doch wird es die Leidenszeit zuvor nicht mehr als Leidenszeit betrachten können, sondern nur als Läuterungsgang, der unerläßlich war und daher unabwendbar, den es aber nicht mehr als qualvoll empfindet, weil Leid und Qualen für das Lichtwesen ausscheiden. In dem Zustand der Freiheit ist das Wesen so überaus glücklich, daß es die Prüfungszeit auf Erden nur als notwendige Zwischenstation betrachtet, die ihm dieses unsagbar große Glück eingetragen hat....
Amen
Vertaler