B.D.-Nr. 2781
Wijs is degene, die zich onophoudelijk door God laat onderwijzen. Die dus een beroep doet op de kracht van Hem, Die de mensen voortdurend Zijn liefde en genade toe wil voeren. Want wie van God een geschenk in ontvangst neemt, die kan niet in zijn rijpheidsgraad blijven. Hij moet zich opwaarts ontwikkelen. Hij moet wetend worden, als de wijsheid hem door God Zelf aangeboden wordt. God als leermeester te hebben, garandeert de diepste kennis en de zuiverste waarheid.
En God zal de leermeester zijn van degene, die door Hem onderwezen wil worden, want alleen de wil is doorslaggevend voor welke krachten hun gedachtengoed op de mensen proberen over te dragen. Elk onderricht, ook al lijkt deze nog zo onbelangrijk, complementeert de kennis van de mens, zodra goddelijke kracht deze kennis naar hem toe leidt en goddelijke kracht is steeds dan aan het werk, wanneer de ontvanger zich voor deze kracht opent. Wanneer hij de waarheid begeert en naar God streeft.
Het is een verkeerde gedachte, dat ook van God afgekeerde krachten geestelijke geschenken naar de aarde kunnen leiden, als deze krachten niet duidelijk toegang verleend wordt vanwege een volledig aan God tegengestelde levenswandel. Want van God afgekeerde krachten zullen altijd de eeuwige Godheid willen ontkennen. Ze zullen de mensen alleen maar in aardse zaken opheldering willen geven en dat ook op een manier, die spoedig hun onwetendheid zou laten herkennen. Maar zodra er geestelijke vragen gesteld worden, zijn ze niet in staat om zich te uiten en het is voor de naar waarheid strevende mens direct herkenbaar als de medemens zich binnen de invloed van deze krachten begeven heeft.
Maar de naar waarheid strevende mens kan zich onverstoorbaar aan de invloeden van bovenaf overgeven. Hij zal steeds goed onderwezen worden. De kracht van de wetende wezens in het hiernamaals is zo groot, dat ze de mensen ver weg kunnen houden van de slechte krachten. Ze waken over de waarheid en de hun toevertrouwde beschermelingen, zodra hun verlangen erop gericht is om door God Zelf onderwezen te worden. En de wijsheid en de kracht van het geloof in hen neemt toe. Want wie wetend is, die zal ook in staat zijn om vast en onwankelbaar te geloven, omdat hij met de kennis tegelijkertijd de kracht van het inzicht ontvangt, die hem de kennis ook als de zuivere waarheid aan laat nemen.
Zich door God te laten onderwijzen, is ook de enige weg naar de waarheid, want zelfs, als hem door medemensen de waarheid gegeven wordt, moet de mens God om opheldering, om verlichting van de geest vragen, opdat hij deze waarheid herkent. En dan wordt hij door God onderwezen. Hij heeft Hem om Zijn hulp gevraagd en God als de eeuwige waarheid leidt hem nu de kennis binnen, geheel om het even van welke middelen Hij hiervoor gebruikmaakt.
En dat is het, wat de mensen het meest verzuimen, dat ze God om verlichting van hun denken vragen. Ze onderzoeken en piekeren en geloven verstandsmatig de wijsheden op te kunnen nemen. Ze proberen zich door boeken en geschriften de kennis toe te eigenen en alles kan dood goed zijn en hun dus geen kennis opleveren, als ze het opnemen, zonder van tevoren om de medewerking van God gevraagd te hebben. De mensen moeten zich tot God wenden, Die de waarheid Zelf is, als ze de waarheid willen ontvangen en deze ook als zodanig herkennen. God Zelf mag niet overgeslagen worden. Aan Hem Zelf moet de kracht van de geest gevraagd worden, omdat deze anders niet werkzaam in de mens kan worden en het denken van de mens alleen maar een verstandelijk denken blijft.
Maar de naar God strevende mens zal niets doen, zonder om Zijn hulp gevraagd te hebben en als hij zich nu in gelovig vertrouwen aan de genade van God aanbeveelt, zal zijn denken verlicht worden. Hij zal de waarheid als zodanig herkennen. Hij zal ervan overtuigd zijn en zich daar tegenover de medemensen ook voor inzetten. Hij zal voor de waarheid op kunnen komen, omdat hij de kennis binnengedrongen is, die de liefde van God hem geeft, omdat hij begeerde om door Hem onderwezen te worden.
Amen