B.D.-Nr. 2782

Het tot stand brengen van de juiste verhouding ten opzichte van God

De mens begint, als hij zich vragend om hulp tot Hem wendt, aan de juiste verhouding ten opzichte van God. Pas dan erkent hij zijn eigen zwakheid en de macht van Degene, Die hem geschapen heeft.

In de oorspronkelijke toestand heeft het wezen op grond van zijn vrije wil zich van zijn Verwekker afgekeerd, doordat hij neigde naar de wil van degene, die de kracht uit God misbruikte voor scheppingen, die niet meer geheel met de wil van God overeenkwamen. Elk wezen, dat uit de wil van de tegenstander van God en uit de kracht van God voortgekomen is, was er vrij in om te kiezen aan wie het zich toebehorend wilde voelen. Zodoende kon het op grond van zijn vrije wil zelf voor God of voor Diens tegenstander kiezen. En het keerde zich van God af, de oerbron van de kracht, waaruit het voortgekomen was.

Maar de oertoestand kan door niets anders hersteld worden, dan dat het wezenlijke God geheel en al belijdt. Het wezenlijke wordt niet tot deze juiste verhouding ten opzichte van God gedwongen, maar zijn vrije wil moet zelf de weg naar Hem vinden en alles wat God geschapen heeft, dient er alleen maar toe om deze vrije wil zo te veranderen, dat hij vanzelf naar God streeft.

Daarom heeft het wezen zijn doel bijna bereikt als het als mens tot God bidt. Zijn wil is dan niet meer van God afgekeerd en er behoort nu alleen nog maar een korte proeftijd bij om rijp te worden voor het leven in de eeuwigheid. Voor het rijk, waar het door geen aardse uiterlijke vorm belast wordt. Waar het zijn eigenlijke doel kan vervullen en zalig is. De vrije wil van de mens mag noch door God, noch door slechte krachten aangetast worden en daarom kan hij nooit tot de juiste verhouding ten opzichte van God overgehaald worden, maar hij moet vanuit zichzelf hieraan beginnen.

Hoe harder en onbuigzamer deze menselijke wil nu is, des te grotere kwellingen heeft hij nodig om dit verzet tegen God op te geven. Dit is het enige middel dat God gebruikt, namelijk dat Hij zijn aardse leven zo vormt, dat het hem ondraaglijk lijkt om hem indirect aanleiding te geven om zich tot Hem om hulp te wenden. Hij zal dit ook doen, zodra hij in een hoger Wezen vol macht gelooft.

Maar het ontbreekt de mensen, die nog geheel de verkeerde wil in zich dragen, juist aan dit geloof. Het is het streven van de tegenstander van God om elk geloof in Hem te vernietigen en het denken van de mensen te verwarren. Maar ook hier staat God de mensen bij en Hij probeert door gebeurtenissen, die vol leed zijn, de mensen tot nadenken te bewegen. Hij geeft hun vaak mogelijkheden om ernstig stelling te nemen over de vraag: In welke verhouding staat het schepsel ten opzichte van zijn Schepper?

Maar God geeft Zich ook aan de Hem ontkennende mensen te kennen, als ze maar aandacht schenken aan alle gebeurtenissen die hun aardse leven begeleiden. Hij probeert nu hun wil te veranderen en als een ondraaglijke nood teweegbrengt dat de mens zich om hulp vragend tot Hem wendt, dan is de ban gebroken. Dan behoort het niet meer totaal aan de tegenstander van God toe, maar hij probeert zich te bevrijden van diens macht en onderwerpt zich uit vrije wil aan zijn Schepper van eeuwigheid af.

En daarom staat het gebed op de eerste plaats. Het is de bekentenis van de eigen zwakheid en het erkennen van een macht van zo’n grote betekenis. De mens is nu immers bereid om zich door deze macht te laten besturen en leiden en nu kan hij zich onbezorgd aan deze goddelijke leiding overgeven en zodra zijn wil zich tot God neigt, wordt hij door de liefde van God gegrepen en zeker naar de hoogte geleid. Wie God om hulp roept, die belijdt dat hij Hem als Zijn kind toebehoort en hij brengt de juiste verhouding van een kind ten opzichte van de vader tot stand en wordt nu ook met Zijn vaderliefde bedacht. Hem zal onbeperkt kracht en genade toegestuurd worden en het aardse leven zal hem nu die rijpheid opleveren, die het nodig heeft om als kind van de Vader Zijn rijk binnen te kunnen gaan.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.