B.D.-Nr. 2574
De mens mag niet tot geloof gedwongen worden, omdat anders een volmaakt worden uitgesloten zou zijn, want iets wat gedwongen is, is iets onvolmaakts. Zodoende moet de mensen de geloofsvrijheid gelaten blijven en daarom kan God hen noch door bewijzen tot geloof leiden, noch hen door wonderen daar aanleiding toe geven. Hij kan hun alleen maar bepaalde leringen geven en hen proberen te beïnvloeden om de gave van het verstand te gebruiken, zodat ze zelf voor of tegen de hun gegeven leringen kunnen kiezen, voor wat betreft of ze deze in hun gedachtengoed op willen nemen en hier in hun hart positief tegenover willen staan. Dan is hun geloof vrij en kan het dus ook zegen brengend genoemd worden.
Zodra de mensen nu in een bepaalde geestelijke richting gedrongen worden, zodra ze planmatig tot een geloof opgevoed worden, is dit geloof net zo lang waardeloos, totdat de mens er zelf in gedachten stelling over genomen heeft. Een aangeleerd geloof is nog geen geloof te noemen. De instelling van het hart is ervoor bepalend, of de mens zich gelovig mag noemen. Hem moet ook de volledige vrijheid gelaten blijven voor wat betreft wat hij kiest, want hij is ook alleen verantwoordelijk voor deze beslissing. Hij mag noch van de kant van de mensen gedwongen worden, noch worden hem vanuit God dwingende bewijzen gegeven, die hem reden geven om iets te moeten geloven.
De enige wegwijzer is de innerlijke stem, de goddelijke hulp, die de mens kleine aanwijzingen geeft, opdat hij makkelijk de weg naar het juiste geloof vindt. Zodra de liefde van God zich nu door een mens op een buitengewone manier uit, zal dit steeds op zo’n manier gebeuren, dat de mens toch niet gedwongen wordt. Hij zal ook altijd een natuurlijke verklaring kunnen vinden, als de wil hem ontbreekt. Hij zal dus nooit door de uitwerking van zo’n buitengewoon werkzaam zijn iets tegen zijn wil hoeven te accepteren, waar hij innerlijk niet positief tegenover kan staan.
En daarom is het van geen belang in welke geestelijke richting een mens opgevoed wordt, maar pas zijn eigen denken maakt hem verantwoordelijk, want dit denken vormt in hem het geloof volgens zijn wil. De naar waarheid verlangende mens zal uit eigen beweging dat verwerpen, wat niet met de waarheid overeenkomt en dus in alle vrijheid van de wil tot het juiste geloof komen. Maar opdat hij door nadenken tot de juiste beslissing kan komen, moet hem de waarheid ook voorgelegd worden door mensen, die zelf in de waarheid staan.
Hij heeft de plicht om alles te onderzoeken, voordat hij het aanneemt en door dit onderzoeken en nadenken daarover neemt hij daar stelling over en hij kan nu ook een beslissing nemen. Hij kan kiezen welk van de hem aangeboden leringen hem de waarheid lijkt. Het is pas geloof, wanneer hij zich ervoor in kan zetten, omdat hij er in zichzelf vast van overtuigd is. En zo’n overtuiging kan de mens niet dwangmatig bijgebracht worden, maar ze wordt door eigen nadenken verworven en pas zo’n geloof komt met de wil van God overeen.
Amen