B.D.-Nr. 2560

Woordenstrijd en zijn gevolgen

Elke geestelijke woordenstrijd heeft een zegenrijke uitwerking, want zodra de mens een tegenovergestelde mening uit, neemt hij stelling bij geschilpunten en zodoende wordt zijn gedachtegang aangespoord. Maar bij denkende mensen kunnen geestelijke krachten zich openbaren. Dat wil zeggen dat wetende wezens proberen hem via de gedachten te beïnvloeden, wat echter niet mogelijk is, als de mens niet verder op het vraagstuk ingaat, dat opgelost moet worden.

Er zal wel een strijd zijn tussen de wetende wezens en degenen, die onwetend zijn en dit op de mensen over willen dragen. Maar steeds weer wordt de mens gewezen op dat, wat wetende wezens op hem overgedragen hebben en bij goede wil blijven deze tegenwerpingen plakken om dan meer en meer geestelijk eigendom van de mens te worden, als deze er langer over nadenkt.

Daarom kunnen tegenstrijdige meningen vaak aan de helderheid bijdragen. De strijders kunnen afstand nemen, dat wil zeggen beide meningen uitspreken en de drager van de waarheid zal steeds een klein succesje kunnen boeken. Want pas zodra een vraag eenmaal opgeworpen is en er stelling over genomen wordt, spoort dat de mens steeds weer tot nadenken aan.

Maar bovendien zullen de dragers van de waarheid hun mening gemakkelijk en overtuigend verdedigen, dus de tegenstander met woorden, die niet als holle woorden af te wijzen zijn, kunnen slaan. Hij zal alles wat hij zegt, kunnen staven en daardoor de tegenstander niet meer in staat om te strijden of te lusteloos om te strijden maken. Hij zal zegevieren, omdat goede, wetende krachten hem helpen. Hij zal overtuigend kunnen spreken, omdat hij het verband van het geheel kent en daarom niet alleen maar zijn aangeleerde mening uit, maar omdat hij voelt, waar hij voor opkomt.

En hoe bereidwilliger en waarheidlievender de tegenstander is, des te sneller zal hij zich bij de mening van de ander aansluiten, omdat hij dan de juiste gedachten vindt en overtuigd is van de waarheid van dat, waar zijn tegenstander voor opkomt. Want strijden betekent op tegenstand stuiten en aan de tegenstand kan hij zich beproeven. Zodra een strijder geen tegenstand ondervindt, is de strijd ten einde gekomen. Maar God leidt strijders voor Zijn rijk op. Hij wil dat de mens strijdt tegen dat, wat niet met Zijn wil overeenkomt. Hij wil dat de mens voor zichzelf en de wereld opkomt voor dat, wat hij voor goed houdt. Zodoende moet hij strijden tegen dat, wat hem verkeerd lijkt.

En omdat God Zijn strijders Zijn hulp belooft, moet de strijder ook succes boeken, als hij zich voor God inzet en dus de goddelijke wil eerbiedigt. Want God Zelf staat hem terzijde. Hij spreekt door de Hem toegenegen mensen. Zodoende strijdt God Zelf. Hij probeert de waarheid te verspreiden, maar ook steeds de onwaarheid het woord gevend, opdat deze als zodanig herkend wordt en de tegenstander tot heftige weerstand aanleiding geeft. Want pas dan kan het hem lukken om twijfel in hem te zaaien over de waarachtigheid van zijn opvattingen. En als hij daarover begint na te denken, kan hem geestelijke bijstand verleend worden en kan hij via de gedachten de waarheid binnengeleid worden.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.