B.D.-Nr. 2558

Schepping – Ontvanger van kracht

Niets is de eeuwige Godheid te min om er aandacht aan te schenken of deze geen kracht toe te laten stromen en niets zou deze kracht uit God kunnen ontberen. En daarom moet alles in verbinding staan met de oerbron van de kracht: met God. Er moet een voortdurend omleiden en toesturen van kracht uit God plaatsvinden, naar alles wat Hij geschapen heeft. Het geschapene moet ononderbroken de goddelijke kracht opnemen, omdat het anders op zou houden te bestaan.

Alleen maar onder deze voorwaarde blijft hetgeen door God geschapen is, bestaan. En alleen maar onder deze voorwaarde kan het werk van de goddelijke Schepper gezien worden, als het als Zijn werk herkend moet worden. Want Zijn liefde en wijsheid gaven al hetgeen geschapen is een taak en een doel. Om dat doel te bereiken, moet het zijn taak vervullen en daartoe behoort een kracht. De kracht om dát uit te kunnen voeren, wat hem als taak gesteld werd. Er bestaat niets in het scheppingswerk van God dat geen taak heeft. Bijgevolg moet ook alles Zijn kracht in ontvangst nemen en bijgevolg moet de ontvanger van kracht, dus elke schepping, met de Schenker van kracht in verbinding staan, zodat de overdracht van God op hetgeen geschapen is, plaats kan vinden.

En hieruit kan weer de conclusie getrokken worden, dat er een onophoudelijke uitwisseling van kracht plaats moet vinden, omdat niets dezelfde taak heeft, maar de aan de scheppingen toegewezen taken zo talrijk en verschillend zijn, dat ook verschillende krachtstromen deze taken mogelijk maken en er zo een altijd durende uitwisseling tot stand komt, zodat het altijd durende worden en vergaan in zoverre verklaarbaar is, dat de scheppingen pas dan een ander doel vervullen of een andere werkzaamheid uitvoeren, als deze zich veranderd hebben.

En daarom blijft niet het minste schepsel zonder de toevoer van kracht uit God en deze krachttoevoer heeft een algemene verandering tot gevolg, omdat de kracht uit God niet inactief laat blijven, maar een voortdurende verandering schept. En daarom mag ook de samenhang van God als de scheppende kracht met Zijn kleinste scheppingswerk niet ontkend worden, omdat deze scheppingen anders of niet aanwezig zouden zijn of ook eeuwig onveranderd zouden blijven, wanneer voortdurend dezelfde toevoer van kracht het deel van deze scheppingen zou zijn, dus de voor het ontstaan benodigde kracht niet in zichzelf toe zou nemen.

De kracht uit God moet in ieder geval tot activiteit aansporen, dus leven opwekkend werkzaam zijn, zodat het scheppingswerk dus pas dan kan vergaan, wanneer God Zijn kracht hiervan terugtrekt, omdat dan elke activiteit ophoudt, dus de toestand van de dood begint. Maar iets doods bestaat er in het heelal, in de goddelijke schepping, niet, omdat alles een ontvanger van kracht is. Bijgevolg moet alles in zich veranderen, al verschillen de tijdsduren hiervan.

God grijpt alles met Zijn kracht. Hij laat niets ontsnappen. Niets is te min voor Hem, want alles wat er is, is uit Hem voortgekomen en kan nooit de verbinding met Hem verliezen. Het kan dit alleen maar per abuis in ontvangst nemen en zich in een ontwikkelingsstadium kracht afwijzend opstellen, zodat deze hem niet in de hem ter beschikking staande mate toe kan stromen. Maar steeds wordt het door levenskracht doorstroomt, die hem ook zonder zijn wil om dit in ontvangst te nemen, toestroomt, want deze levenskracht is de oergrond van de hele schepping. Het is de kracht uit God, die elk bestaan nodig heeft.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.