B.D.-Nr. 2538
De liefde van God voor de mensheid zal niet afnemen, zolang de aarde bestaat en steeds weer wordt de mensheid gelegenheid geboden om zich op deze aarde te verlossen. Welke tijdsduur voor deze verlossing nodig is, wordt geheel en al aan de menselijke wil overgelaten, dus door hoe hij zich instelt ten opzichte van de liefde van God. Als hij deze erkent, dan zal hij deze ook proberen te verkrijgen en dus alles doen, wat God de mensen voorschrijft te doen. En door het vervullen van de goddelijke wil rijpen de zielen en verkleinen ze de grote afstand tussen hen en God.
God heeft Zijn schepselen, de mensen, lief en Hij wil dat ook Hij erkend wordt als een liefdevol wezen, Dat niets laat vallen, wat in Hem zijn oorsprong heeft. Zodra de mens dit inzicht heeft, leeft hij zijn leven bewust en probeert hij ook zijn medemensen de stroomkring van de goddelijke liefde binnen te duwen en zelf probeert hij een leven in liefde te leiden, omdat hij weet, dat alleen maar door de liefde een gelijk zijn aan God mogelijk is en dit gelijk zijn is absoluut noodzakelijk om de liefde van God te verkrijgen. In de liefde van God te leven, betekent een toegenomen krachtontvangst en een onophoudelijke opwaartse gang, want de liefde van God trekt alles tot zich, wat zich niet verzet, dat wil zeggen tegenstand biedt.
De liefde van God voor de mensheid is zo groot, dat werkelijk alles door haar gegrepen zou worden als het hier geen weerstand aan zou bieden. Maar de liefde van God is alleen maar werkzaam, als haar geen weerstand geboden wordt. Zodoende is het Gods streven om elke weerstand af te zwakken om deze dan geheel op te heffen.
Maar de mens verzet zich, zolang hij nog een verlangen naar de wereld heeft, zich dus niet onverdeeld aan zijn geestelijke taak wijdt. Zo lang kan hem alleen maar die levenskracht toestromen, die elk wezen toestroomt, zolang het op aarde verblijft. Maar nooit kan hem de kracht van de liefde gegeven worden, omdat deze niet goed gebruikt, dus misbruikt, zou worden, zolang het streven van de mens niet alleen God betreft. Elk zich toekeren naar de wereld betekent verzet tegen de eeuwige Godheid, dus een onderbreken van deze hem ter beschikking staande kracht van de liefde.
De liefde van God is dus het enig nastrevenswaardige in het aardse leven, want met het ontvangen van de kracht van de liefde van God neemt zijn kracht tot in het onmetelijke toe en zal de mens alles kunnen verrichten, omdat God Zelf werkzaam kan zijn, zodra de mens zich onvoorwaardelijk aan Hem overgeeft, dus zelf zijn liefde aan God schenkt en nu door de liefde van God gegrepen wordt, die hem nooit laat vallen.
Telkens weer wendt God Zich tot de mensen om hun zijn liefde aan te bieden en steeds weer probeert Hij in hen het bewustzijn op te wekken dat ze onscheidbaar met deze liefde verbonden zijn. Als dit bewustzijn in de mens ontwaakt is, dan doet hij er zelf alles aan om te laten zien dat hij deze verbinding waardig is. Hij verlangt naar de liefdesstroom van God en dringt hiernaartoe. En God vermeerdert alles wat naar Hem verlangt door Zichzelf. Hij geeft kracht, waar kracht gevraagd wordt en zodoende komt Zijn liefde steeds als kracht tot uiting, die alles beheerst. Die de weerstand van de ziel breekt als de wil van de mens naar God toegekeerd is, maar die ook een overwinnen van de aardse nood voor de mens betekent. Want waar Gods liefde een mensenkind gegrepen heeft, gaat deze de levensweg op aarde met Zijn hulp. Het overwint de materie, het veracht de wereld en het streeft alleen maar naar de totale vereniging met God. Met de eeuwige liefde, die zijn oorsprong was.
Amen