B.D.-Nr. 2497
In de sferen van het licht kunnen duistere machten zich nooit handhaven en de kennis daarvan heeft een grote betekenis, omdat het menige verkeerde leringen weerlegt. Zodra de geest van God in een mens werkzaam is, dat wil zeggen zodra God Zelf duidelijk door een mens werkzaam is, doordat Hij Zijn woord door hem naar de aarde stuurt, dan is er ook een scheidingswand opgericht, zodat boze krachten afgescheiden blijven van deze mens, zolang de geest van God werkzaam is, zodat een verontreiniging van het goddelijke woord door een verkeerde leer uitgesloten is.
Zodoende kunnen de krachten van de onderwereld zich niet op de gebruikelijke manier uiten, waar ze de gedachten van de mens verwarren en hem er toe in staat stellen om hun leringen op te kunnen nemen. En daarom proberen ze op een andere manier de waarheid van het goddelijke woord aan te vallen. Ze strooien twijfelachtige gedachten in het hart van de mens, zodra de geest uit God niet rechtstreeks meer werkzaam is. Ze proberen hem in de vorm van waarheid vertrouwd te maken met een kennis, die de van God ontvangen kennis tegenspreekt en zo ondermijnen ze de sterkte van het geloof. Ze brengen twijfelachtige gedachten in zijn hart en streven er onophoudelijk naar om de geloofskracht aan het wankelen te brengen.
Maar de wezens van het licht maken zich voortdurend zorgen om die mens, die zich tot het aannemen van de waarheid van God bereid verklaard heeft. De wil om God te dienen, levert de mens de sterkste bescherming van de kant van de wezens op, die vol licht en kracht zijn en ook overeenkomstig hiermee werkzaam kunnen zijn.
Goddelijke wijsheid is ondoorgrondelijk voor mensen, die alleen maar zonder liefde onderzoeken. Een planmatig in die wijsheid binnen willen dringen is ondenkbaar en zodoende kunnen wijsheden niet geleerd worden, maar moeten ze door een werkzaam zijn in liefde herkend worden. Zodoende kan geen mens zich door scholing in een wetende of ziende toestand brengen, maar enkel alleen de liefde van zijn hart stelt hem in staat om de verborgen zaken te zien en te kennen. Verstandsmatige kennis kan wel verworven worden, maar nooit een wijsheid, die in het hart door actieve liefde geboren moet worden. Die dus een uiting van de in de mens rustende goddelijke geestvonk naar de ziel van de mens is.
De mens kan wel door leringen gewezen worden op de weg, via welke hij de waarheid uit God kan bereiken. Maar hij moet de weg zelf gaan, als het licht in hem moet worden en hij tot inzicht moet komen. En daarom zal de mens alleen maar door een geestelijk werkzaam zijn de waarheid binnengeleid worden, want dit geestelijke werkzaam zijn is het gevolg van een werkzaam zijn in liefde, om welke reden ook alleen maar die leringen, die door een geestelijk werkzaam zijn aan de mens gegeven worden, aanspraak op de volste waarheid kunnen maken. En zodoende kan alles verworpen worden, wat niet overeenkomt met deze van boven naar de mens gestuurde wijsheid. Want de waarheid is daar, waar God duidelijk werkzaam is.
Amen