B.D.-Nr. 2443

Het opvoeden van het kind tot het geloof of met Gods hulp

Aan elke aanwijzing van boven moet aandacht geschonken worden, want God leidt Zijn woord niet zonder doel naar de aarde. Zodra de mens een verbinding tussen hemel en aarde herkent, zodra hij alle gebeurtenissen in verband kan brengen met een geestelijke leiding, zal zowel zijn aardse leven makkelijker te dragen zijn, alsook zal de toestand van zijn ziel zich verheffen. Want dan beschouwt hij ook zijn eigen aardse leven niet meer als zin- en doelloos, maar dan is hij zich meer van zijn taak bewust.

De zekerheid dat de wil van God bepalend is voor elke gebeurtenis weet hem ertoe te bewegen om zichzelf ook aan deze wil te onderwerpen. Zich door hem te laten leiden en hij doet zijn best om overeenkomstig de wil van God te leven. En dan schenkt hij ook de volste aandacht aan de goddelijke stem, Zijn woord. En zodoende leeft hij zijn leven bewust.

De mens heeft in zijn onwetendheid het woord van God nodig. Zodra hij het aardse leven begint als mens, ontbreekt het hem aan elk begrip, elke kennis van goddelijke zaken. Hij moet eerst langzaam de kennis daarvan binnengeleid worden en hij krijgt daarover van menselijke zijde opheldering, vooropgesteld dat de medemensen zelf in verbinding staan met God. Dat ze zelf God nastreven en zelf kennis hebben van Zijn besturen en werkzaam zijn. Dat ze geloven. Dan wordt ook het kind dit geloof binnengeleid.

Als echter de medemensen zelf ongelovig zijn en ze hun ongeloof ook op dat kind overdragen, dan wordt deze daarentegen toch niet aan de tegenstander overgelaten, maar God Zelf ontfermt Zich over hem en helpt hem bij het verkrijgen van de kennis, doordat Hij zijn levensweg zo vormt, dat het denken aangespoord wordt. Dat hij dus via de weg van de gedachten onderwezen wordt en hem hetzelfde resultaat gegeven kan worden. Dat hij leert te geloven in een God, Die zijn levenslot in de hand houdt. Dat hij leert te geloven in een doel, in een taak, die de mens gedurende zijn aardse leven moet vervullen.

God laat geen mens zonder hulp. Hij laat niemand aan zichzelf of aan de ongelovige medemensen over. Hij heeft de mens verstand gegeven en een denkvermogen, dat hem ook via de directe weg tot het inzicht kan brengen, als de opvoeding door de medemensen mislukt. De mens moet alleen de wil om in de waarheid te staan maar opbrengen. Hij mag het niet op zijn beloop laten, maar hij moet zelf actief zijn. Hij moet ernaar verlangen om het ware te weten en het juiste te doen. Dan geeft God Zich aan hem te kennen geven en Hij leidt hem, opdat hij zijn doel kan bereiken.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.