Vergelijk Kundgabe met vertaling

Meer vertalingen:

Kindschap van God

De proeftijd op aarde is in zoverre van het grootste belang voor de mens of zijn ziel, dat hij met het beëindigen hiervan de aarde definitief verlaat, onafhankelijk van in hoeverre de ziel zich opwaarts ontwikkeld heeft. Maar de rijpheidsgraad van de ziel is nu bepalend voor haar nieuwe omgeving en de werkzaamheid in het hiernamaals. De werkzaamheid op aarde is definitief voorbij, ook wanneer het voor de ziel zonder succes was. In zekere zin is er een tijd van genade beëindigd, of die nu goed of verkeerd gebruikt werd. Alleen heeft dit in het hiernamaals verstrekkende gevolgen.

De tijd op aarde is echter maar kort en toch bepalend voor de eeuwigheid, want ofschoon de ziel zich ook in het hiernamaals nog verder kan ontwikkelen, is voor haar toch niet meer die ontwikkeling mogelijk, die een goed benut aards leven haar op had kunnen leveren. Ze kan het kindschap van God niet bereiken, want dit vereist een levenswandel op aarde, die geheel met de wil van God overeenkomt. Dit vereist een rijpheidsgraad bij het sterven van de mens, die al een binnengaan in de lichtsferen toestaat. De mens moet zich al op aarde tot een lichtwezen vormen, wat ook geheel in zijn macht ligt, als hij de wil daartoe opbrengt. Hij moet dus de genade van de belichaming als mens volledig benutten. Hij moet bewust naar God streven en de vereniging met Hem al op aarde door gebed en een werkzaam zijn in liefde zoeken.

Er is niets onmogelijks in wat God van de mens verlangt, want overeenkomstig Zijn eisen is ook de toebedeling van Zijn genade, het verlenen van Zijn hulp. Er wordt enkel de wil van de mens geëist en deze faalt meestal. Bijgevolg kan het wezen in het hiernamaals dan niet het hoogste gegeven worden, omdat deze het op aarde niet nastreefde. Het kindschap van God is de gelukzaligste toestand, die het wezen in het hiernamaals eindeloos gelukkig maakt, want ze levert het wezen het erfdeel van de Vader op. Het wezen kan scheppen en vormgeven met God door Zijn kracht.

Als de ziel op aarde een leven in liefde geleid heeft, is de scheiding van God definitief overwonnen. Ze is God nabij. Ze heeft de weg naar haar oorsprong teruggevonden. Ze is één geworden met Hem. En de ziel is het aardse leven met dit doel gegeven. Maar God laat het geestelijke, dat de tijd op aarde niet overeenkomstig Zijn wil gebruikt heeft, niet vallen en geeft het in het hiernamaals ook voortdurend mogelijkheden om op te klimmen. En zodoende kunnen ook deze zielen nog een lichtvolle en gelukkig makende toestand bereiken, die echter verschillend is van die van een kind van God.

Want een kind van God wordt in zekere zin ook een schenker van kracht, omdat het de rechtstreekse uitstraling van God in zich opneemt, omdat het in de nauwste verbinding met God staat en het kan deze kracht nu voortdurend uitdelen, omdat het zelf door de kracht van God doorstroomd wordt. Een kind van God te zijn betekent geheel met Hem versmolten te zijn en bijgevolg ook over Zijn macht en kracht te kunnen beschikken. De mensheid begrijpt niet wat dat betekent en ze begrijpt daarom ook niet de betekenis van het aardse leven, dat de ziel iets onvoorstelbaar gelukzaligs op kan leveren en toch meestal zonder dit op te merken, geleefd wordt.

De ook in het hiernamaals nog mogelijke opwaartse ontwikkeling is een daad van de grootste barmhartigheid van God, Die toch het wezen het aardse leven tot zijn definitieve loutering en opwaartse ontwikkeling gegeven heeft. Maar die in Zijn enorme liefde de wezens, van wie de wil op aarde faalde, nog een opwaarts gaan in het hiernamaals mogelijk maakt om hun gelukzaligheid en licht te schenken, maar toch ook nog afhankelijk is van de wil van de wezens.

Maar de zaligheden van een kind van God kunnen deze wezens niet bereiken, tenzij ze de weg op aarde nog een keer afleggen, als hun door God deze genade verleend wordt, die met een taak op aarde verbonden wordt. Dan zal de ziel nog een keer moeten strijden, ofschoon ze voor een totale terugval beschermd wordt door de lichtwezens, omdat ze voordien in het hiernamaals al een bepaalde rijpheidsgraad bereikt moet hebben, voordat haar deze grote genade door Gods grote liefde verleend wordt. Het vervullen van haar taak, die het zielenheil van de medemensen betreft, kan haar nu op aarde deze graad van rijpheid opleveren, die haar tot een kind van God maakt. Maar steeds wordt het aan de wil van de ziel overgelaten, hoe ze de hernieuwde verlening van de genade van de belichaming op aarde gebruikt.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Peter Schelling

La figliolanza di Dio

Il tempo di prova sulla Terra è della massima importanza per l’uomo o la sua anima in quanto con l’abbandono della Terra, la lascia definitivamente indipendentemente dal fatto fin dove l’anima si sia sviluppata verso l’Alto, ma ora è determinante il grado di maturità dell’anima per il suo nuovo ambiente e l’attività nell’aldilà. L’agire sulla Terra è definitivamente terminato, anche se era senza successo per l’anima. In certo qual modo è terminato un tempo di Grazia, sia che è stato utilizzato bene o male. Ambedue le possibilità però hanno un grave effetto nell’aldilà. Il tempo terreno è misurato solo breve e malgrado ciò è determinante per l’Eternità, perché anche se l’anima può ancora continuare a formarsi nell’aldilà, non le è comunque più possibile lo sviluppo che le poteva procurare una vita terrena utilizzata bene. Non può raggiungere la figliolanza di Dio, perché questa richiede un cammino di vita condotto sulla Terra che corrisponde del tutto alla Volontà di Dio. Richiede un grado di maturità al decesso dell’uomo che permette già un entrare nelle Sfere di Luce, l’uomo si deve essere formato già sulla Terra in un essere di Luce, cosa che è anche totalmente nel suo potere quando ne ha la volontà. Deve quindi sfruttare pienamente la Grazia dell’incorporazione come uomo, deve tendere coscientemente a Dio e cercare l’unificazione con Lui già sulla Terra attraverso la preghiera e l’agire d’amore. Non è impossibile ciò che Dio esige dall’uomo, perché rispetto alla Sua Pretesa è anche l’apporto della Sua Grazia, la concessione del Suo Aiuto. E’ richiesta solo la volontà dell’uomo e questa fallisce quasi sempre. Di conseguenza agli esseri nell’aldilà non può essere concesso la cosa più sublime, perché non vi aspiravano sulla Terra. La figliolanza di Dio è lo stato più delizioso che rende infinitamente felice l’essere nell’aldilà, perché procura all’essere l’Eredità del Padre. L’essere può creare e formare con Dio attraverso la Sua Forza. Se l’anima ha condotta sulla Terra una vita nell’amore, allora la separazione da Dio è definitivamente superata; è vicino a Dio, ha ritrovato la via del ritorno alla sua Origine, è diventata una con Lui. Ed a questo scopo è stata data all’anima la vita terrena. Ma Dio non lascia cadere lo spirituale che non ha utilizzato il tempo terreno rispetto alla Sua Volontà e gli dà anche costantemente delle possibilità di risalita nell’aldilà. E quindi anche queste anime possono ancora raggiungere uno stato di Luce e di felicità, che però è diverso da quello della figliolanza di Dio, perché un figlio di Dio è pure anche un donatore di Forza, perché accoglie in sé la diretta Irradiazione di Dio, perché sta nella strettissima unione con Dio ed ora può distribuire costantemente questa Forza, dato che esso stesso è circumfluito dalla Forza di Dio. Essere un figlio di Dio significa essere totalmente fuso con Lui, di conseguenza anche poter disporre della Sua Potenza e Forza. L’umanità non afferra ciò che cosa significa e perciò non afferra nemmeno il significato della vita terrena che può procurare all’anima qualcosa di inimmaginabilmente delizioso e che viene comunque vissuta quasi sempre senza considerare questo. Lo sviluppo verso l’Alto che è pure possibile ancora nell’aldilà, è un Atto della più grande Misericordia di Dio, il Quale però ha dato all’essere la vita terrena per la sua definitiva purificazione e sviluppo verso l’Alto, il Quale però nel Suo ultragrande Amore rende possibile agli esseri, la cui volontà ha fallito sulla Terra, ancora una risalita nell’aldilà, per rivolgere loro Beatitudine e Luce, ma sempre ancora dipendente dalla volontà dell’essere. Ma questi esseri non possono raggiungere le Beatitudini di un figlio di Dio, a meno che non ripercorrano ancora una volta la via sulla Terra, se a loro viene concessa questa Grazia da Dio, che è allacciata con un compito sulla Terra. Allora l’anima dovrà lottare ancora una volta, benché venga protetta da una totale ricaduta attraverso gli esseri di Luce, perché deve già aver raggiunto nell’aldilà un determinato grado di maturità, prima che le venga concessa questa grande Grazia attraverso il grande Amore di Dio. L’adempimento del suo compito che è dedicato alla salvezza dell’anima dei prossimi, le può ora procurare il grado di maturità sulla Terra che la rende un figlio di Dio. Ma è lasciata sempre alla volontà dell’anima come utilizza la rinnovata Concessione di Grazia dell’incorporazione sulla Terra.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Ingrid Wunderlich