Het blijft aan de mens zelf overgelaten, welke stelling hij ten opzichte van God inneemt. Hij is een deel van God, onscheidbaar van Hem, maar of hij deze verbondenheid met God als mens erkent, dat bepaalt hij zelf. Hij kan zich als volledig geïsoleerd in het heelal staand wanen, zonder verbinding met de kracht, die hem schiep, maar hij kan zich ook met deze kracht verbonden voelen en overeenkomstig deze houding zal zijn aardse leven zijn. Hij wordt op geen enkele manier gedwongen om God te belijden, in innig contact met Hem te treden en zich door Zijn liefdeskracht te laten doorstralen, maar het staat hem volledig vrij, welke verhouding met God hij tot stand wil brengen.
Hij kan ook in zoverre geheel van God onafhankelijk blijven, dat hij niet bewust een schenking van kracht nastreeft of erom vraagt. Hij kan zijn aardse leven afleggen in het geloof dat hij het op eigen kracht volgens zijn wil vorm kan geven. Hij zal dan God niet herkennen. Hij zal dan niet in Hem geloven als het meest liefdevolle, wijste en almachtigste wezen. Hij zal ook geen verbinding met Hem tot stand brengen, maar zich geheel vrij voelen en een zijn lot leidend wezen afwijzen.
Maar steeds zal zijn houding ten opzichte van God bepalend zijn voor zijn geestelijke ontwikkeling. Voor zijn leven in de eeuwigheid. Want zodra hij een afwijzende houding heeft ten opzichte van God, kan hij geen beroep doen op de krachtstroom, die hem in staat stelt, opwaarts te gaan. Hij zal wel leven, maar zijn geest zal niet tot leven gewekt worden, want de geestelijke kracht uit God kan zich niet verenigen met de geestvonk in de mens. Deze sluimert en de mens leeft zijn leven volledig nutteloos, want hij vervult zijn levensdoel, de opwaartse ontwikkeling van zijn ziel, niet.
Want God moet erkend worden en de verbinding met Hem moet tot stand worden gebracht, opdat de mens de kracht uit God gegeven kan worden, die absoluut noodzakelijk is, als de ziel rijp moet worden. Terwijl de mens, die in innig contact met God treedt en in het gebed bewust om Zijn kracht vraagt, zichzelf zodoende herkent als van een door Gods liefde en genade afhankelijk blijvend schepsel, deze kracht mateloos in ontvangst kan nemen, zolang het op aarde verblijft.
De juiste instelling ten opzichte van God heeft als gevolg het tot stand brengen van de juiste verhouding van het kind tot de Vader. Het kind zal steeds vragen en daarom onophoudelijk mogen ontvangen. De kracht uit God zal hem voortdurend toestromen en het zal het doel van het aardse leven bewust vervullen, namelijk de nadering tot God tot stand brengen. De afstand tot Hem verminderen en zijn ziel zo vormen, dat het als kind van God het geestelijke rijk binnen kan gaan, als zijn aardse leven beëindigd is. De juiste instelling ten opzichte van God levert de mens het juiste resultaat op: een eeuwig leven in licht en kracht en gelukzaligheid. Daarentegen vertrekt de ziel, die zich onafhankelijk waande van God en bijgevolg op aarde zonder kracht bleef, met lege handen.
Amen
VertalerE’ lasciato all’uomo stesso quale posizione assume di fronte a Dio. E’ una parte di Dio, inseparabile da Lui, ma se riconosce quest’appartenenza a Dio, lo decide lui stesso. Può credersi totalmente isolato nel Cosmo, senza collegamento con la Forza la Quale lo ha creato, ma vi si può anche sentire unito e rispetto a questa posizione sarà la sua vita terrena. Non viene per nulla costretto di dichiararsi per Dio, di entrare in intima presa di contatto con Lui e lasciarsi compenetrare dalla Sua Forza d’Amore, ma è lasciato totalmente libero quale rapporto vuole stabilire con Dio. Può anche rimanere del tutto indipendente da Lui in quanto non aspira o richiede coscientemente nessun apporto di Forza. Può vivere la sua vite terrena nella credenza di poterla formare con la propria forza secondo la sua volontà. Allora non riconoscerà Dio, non crederà in Lui come l’Essere più saggio ed onnipotente, non stabilirà nemmeno nessun legame con Lui, ma si sentirà totalmente libero e rifiuterà una Potenza che conduce il suo destino. Ma sarà sempre determinante la sua predisposizione verso Dio per il suo sviluppo spirituale, per la sua Vita nell’Eternità. Perché appena si predispone in rifiuto verso Dio, non può avvalersi della Corrente di Forza che lo rende capace di giungere in Alto. Vivrà bensì, ma il suo spirito rimarrà non risvegliato, perché la Forza spirituale da Dio non può assoggettarsi alla scintilla spirituale nell’uomo, questa sonnecchia e l’uomo vive la sua vita del tutto inutilmente, perché non adempie lo scopo della sua vita, lo sviluppo verso l’Alto della sua anima, perché Dio dev’essere riconosciuto e stabilito il collegamento con Lui, affinché all’uomo venga trasmessa la Forza da Dio che è assolutamente necessaria se l’anima deve maturare. Mentre può ricevere smisuratamente questa Forza l’uomo che entra in intimo contatto con Dio, che richiede coscientemente la Sua Forza nella preghiera e quindi riconosce sé stesso come una creatura che rimane dipendente dall’Amore e la Grazia di Dio, finché dimora sulla Terra. La giusta predisposizione verso Dio ha come conseguenza lo stabilire il giusto rapporto del figlio verso il Padre, il figlio chiederà sempre e perciò potrà ricevere continuamente, la Forza di Dio gli affluirà costantemente ed adempirà coscientemente lo scopo della vita terrena, cioè stabilisce l’avvicinamento a Dio, diminuisce la lontananza da Lui e forma la sua anima in modo che possa entrare nel Regno spirituale come figlio di Dio, quando la sua vita terrena sarà terminata. La giusta predisposizione verso Dio procura all’uomo il giusto successo, una Vita eterna nella Luce, Forza e Beatitudine, mentre invece l’anima che si credeva indipendente da Dio, va a mani vuote e di conseguenza rimaneva senza Forza sulla Terra.
Amen
Vertaler