De bereidwilligheid om op te nemen komt pas dan met de wil van God overeen, als het lichaam en de ziel zich volledig aan de geest overgeven. Als de ziel in het geheel geen acht slaat op het lichaam of ook het lichaam hetzelfde wil als de ziel: enkel de stem van de geest in zich te horen. Hoe minder het lichaam de ziel hindert, des te duidelijker hoort de ziel wat de geest haar over wil dragen. Dan probeert de ziel zich met de geest te verenigen.
Deze verbinding is onvergelijkbaar waardevol. De ziel is in zekere zin vrij. Ze is niet meer gebonden aan haar lichaam, maar dichter bij haar eigenlijke doel. Ze leeft in het geestelijke rijk, ofschoon ze nog op aarde verblijft. En het lichaam is gedurende deze tijd volledig passief, totdat de ziel deze weer tot leven wekt.
Zodra de mens deze graad van bereidwilligheid om op te nemen bereikt heeft, zal het gemakkelijk voor hem zijn om geestelijke boodschappen in ontvangst te nemen en ook een blik te werpen in het rijk, dat het vaderland van de geest is. En om deze graad te bereiken, is alleen maar het vurigste gebed tot God en een volledige overgave aan Hem nodig, vooropgesteld dat het leven van degene die opneemt een onbaatzuchtig werkzaam zijn in liefde is. Dan beleeft de mens een verandering in zich. Hij voelt zich van de aarde bevrijd. Hij wordt door God gegrepen en het lichaam geeft elke tegenstand op. Hij buigt zich onder de wil van de ziel, die naar de geest streeft en betekent dus geen hindernis voor de ziel.
Vaak is deze verbinding alleen maar door de grootste zelfoverwinning tot stand te brengen. De ziel dringt nog niet volledig naar de geest in zich. Ze laat zich nog door het lichaam beïnvloeden. Dat wil zeggen dat ze nog te veel aandacht schenkt aan diens verlangen. Ze is nog niet zo tot het aannemen van de boodschappen bereid, als bevorderlijk is om deze moeiteloos in ontvangst te kunnen nemen. En dan moet de ziel worstelen om kracht en doorzettingsvermogen. Ze moet tegen haar lichaam strijden. Ze moet ook het verstandelijke denken uitschakelen en zich alleen nog maar door de stem van het hart laten dirigeren. Ze moet de wereld kunnen vergeten om zichzelf terug te vinden in het geestelijke rijk. En ze moet deze vlucht omhoog vaak beoefenen om zich altijd te kunnen bevrijden uit haar lichamelijke omhulsel. Om altijd de stem in zich te kunnen horen om waardevolle boodschappen uit het geestelijke rijk te ontvangen.
Wanneer de ziel niet in staat is om de stem van de geest in zich te horen, dan is of haar voorbereiding niet overeenkomstig de goddelijke wil, dat wil zeggen dat de ziel zich niet volledig kan scheiden van de aarde en van dat, wat aards is, of de geest kan zich tegenover haar niet uiten, omdat haar bekwaamheid om te horen nog niet ontwikkeld is. En dat laatste is het geval, als de ziel zich nog niet tot liefde veranderd heeft. Dan zal het stil in haar blijven als ze luistert, want de stem van de geest klinkt zo zacht, dat elke valse toon, die in een nog onrijpe ziel klinkt, deze stem overstemt. De ziel moet het omhulsel rondom zich opengebroken hebben, wat door een God welgevallige levenswandel tot stand gebracht wordt. Dan kan ze de zachtste toon in zich horen en bijgevolg ook naar het verstand leiden om deze zodoende als mens weer te geven.
In elk mens zijn goddelijke wijsheden verborgen. Dat wil zeggen dat de goddelijke geestvonk in elk mens sluimert, die, omdat die een deel van de eeuwige Godheid is, ook in de goddelijke wijsheid binnen kan dringen en deze dan aan de mensen geven kan. Maar of de ziel zich ertoe in staat stelt om te ontvangen wat de geest haar overdragen wil, hangt van de wil van de mens af. Of hij zich door een werkzaam zijn in liefde ontwikkelt.
De mens moet dus willen luisteren en kunnen luisteren. Hij moet zich bereid verklaren tot het in ontvangst nemen van boodschappen van boven. Maar hij moet ook door God waardig bevonden worden om met geestelijke boodschappen bedacht te worden.
Zodoende kan wel ieder mens het goddelijk geestelijke werkzaam zijn nastreven, er dus naar verlangen, maar hij moet tegelijkertijd de voorwaarden vervullen, die voor het werkzaam zijn van de geest gesteld zijn. Het werkzaam zijn van de goddelijke geest is wel een genadegeschenk, maar ze wordt de mens toch niet zonder diens waardigheid en diens naar God toegekeerde wil toegestuurd. Zodra het werkzaam zijn van de goddelijke geest begint af te nemen, ligt dat geheel aan de mens, van wie het geestelijke streven afneemt of doordat hij te nauw met de wereld verbonden is, hetgeen voor zijn opwaartse vlucht hinderlijk is.
Het is de goddelijke wil dat de mens voortdurend worstelt. Dat zijn streven naar Hem niet afneemt. En daarom zullen hindernissen de weg voor hem onbegaanbaar maken en hij moet dan met grotere krachtinspanning deze hindernissen proberen te overwinnen. Hij moet, als hem de kracht daartoe ontbreekt, bidden om kracht. Hij moet zich inniger en vaker in gedachten met God verbinden. Hij moet hem zijn nood voorleggen en in een gelovig vertrouwen Zijn hulp tegemoetzien.
God eist een sterk geloof. Een geloof, dat nooit wankel wordt, ofschoon de verleidingen op hem afkomen. Het vertrouwen in Gods hulp moet zo groot zijn, dat niets in staat is om de mensen met zorgen en angst naar de toekomst te laten kijken. Gods liefde en Gods almacht moeten de mensen steeds voor ogen staan als diens geloof begint aan het wankelen gebracht te worden. En zo’n diepgelovig mens zal ook geschikt zijn om Gods geestelijke geschenken in ontvangst te nemen. Hij zal de wereld verachten en een leven leiden in de nauwste verbinding met God en zijn geest zal zich aan de ziel bekendmaken, waar en wanneer ze het maar verlangt.
Amen
VertalerA prontidão para receber só é então, segundo a vontade de Deus, quando corpo e alma se abandonam completamente ao espírito, quando, portanto, o corpo permanece completamente despercebido pela alma ou também o corpo quer o mesmo que a alma.... apenas para ouvir a voz do espírito dentro de si mesmo. Quanto menos o corpo atrapalha a alma, mais clara ela ouve o que o espírito quer transmitir a ela. Então a alma tenta unir-se ao espírito. Este vínculo é incomparavelmente valioso, é, por assim dizer, a alma livre, já não está ligada pelo seu corpo, mas mais próxima do seu verdadeiro destino.... vive no reino espiritual, embora ainda habite na terra. E o corpo está completamente inactivo durante este tempo até que a alma o reviva novamente. Assim que o ser humano conseguir estabelecer esse grau de receptividade, será fácil para ele receber mensagens espirituais e também olhar para o reino que é o lar do espírito. E para alcançar este grau só é necessária uma oração sincera a Deus e uma completa devoção a Ele, desde que a vida do receptor seja uma atividade de amor altruísta. Então o Homem vivenciará uma mudança em si mesmo, sentir-se-á afastado da Terra, será tomado por Deus e o corpo abandonará toda a resistência, curvar-se-á à vontade da alma que se esforça para o espírito e, portanto, não significará mais um obstáculo para ele. Muitas vezes essa conexão só pode ser estabelecida com a maior superação de si mesmo, a alma ainda não empurra completamente para o espírito dentro de si mesma, ainda se deixa influenciar pelo corpo, ou seja, ainda presta demasiada atenção aos seus desejos.... ainda não está tão pronto para receber as mensagens do espírito como precisa estar para aceitá-las sem esforço. E então a alma tem de lutar pela força e resistência, tem de lutar contra o seu corpo, tem também de desligar o pensamento intelectual e só se deixar guiar pela voz do coração, tem de ser capaz de esquecer o mundo para se reencontrar no reino espiritual.... E deve frequentemente praticar este voo para cima para se poder libertar da sua concha física a qualquer momento, para poder ouvir a voz dentro de si a qualquer momento, para poder receber mensagens preciosas do reino espiritual.... (14.10.1942) Se a alma não é capaz de ouvir a voz do espírito dentro de si mesma, então a sua preparação ou não está de acordo com a vontade divina, isto é, a alma não pode separar-se completamente da Terra e daquilo que é terreno, ou o espírito não pode expressar-se a ela, porque a sua capacidade de ouvir ainda não está desenvolvida. E este último é o caso se a alma ainda não tiver mudado para o amor. Então permanecerá em silêncio dentro dela se ouvir, pois a voz do espírito soa tão finamente que qualquer tom discordante que soe em uma alma ainda imatura afoga essa voz. A alma deve ter rompido a casca ao seu redor, o que é conseguido por um modo de vida agradável a Deus. Então, pode ouvir o melhor som dentro de si e, consequentemente, também transmiti-lo ao intelecto, reproduzindo-o assim como um ser humano. A sabedoria divina está escondida em cada ser humano, ou seja, a centelha espiritual divina desmaia em cada ser humano, que, por ser parte da Deidade eterna, também pode penetrar a sabedoria divina e transmiti-la ao ser humano. Mas se a alma se torna receptiva ao que o espírito quer transmitir-lhe depende da vontade do ser humano, se ele se molda através da atividade amorosa. O ser humano deve, portanto, querer ouvir e ser capaz de ouvir.... Ele deve declarar-se disposto a receber as mensagens de cima, mas também deve ser considerado digno por Deus de receber mensagens espirituais.... Assim, todo ser humano pode certamente esforçar-se pela obra divina do espírito, podendo assim desejá-la, mas ao mesmo tempo tem de preencher as condições estabelecidas para a obra do espírito. A obra do espírito de Deus é certamente um dom de graça, mas não chega ao ser humano sem o seu merecimento e a sua vontade voltada para Deus. Assim que o funcionamento do espírito de Deus começa a diminuir, isso se deve apenas ao afrouxamento do ser humano no seu esforço espiritual ou à sua ligação demasiado estreita com o mundo, o que dificulta o seu voo de fantasia. É na vontade divina que o ser humano se esforça constantemente para não se descuidar na sua luta por Ele. E, portanto, muitas vezes os obstáculos tornarão o caminho intransitável para ele, e então ele deve tentar superar esses obstáculos com maior esforço, ele deve, se lhe faltar força para fazê-lo, rezar por força; ele deve unir-se a Deus mais intimamente e mais frequentemente em pensamento, ele deve apresentar-lhe a sua adversidade e esperar com confiança fiel a sua ajuda. Deus exige uma fé forte, uma fé que nunca vacila, mesmo que as tentações se aproximem dele..... A confiança na ajuda de Deus deve ser tão forte que nada é capaz de fazer uma pessoa olhar para o futuro com preocupação e medo.... O amor de Deus e a onipotência de Deus devem estar sempre diante dos olhos da pessoa cuja fé começa a vacilar. E uma pessoa tão profundamente crente também será adequada para receber os dons espirituais de Deus; desprezará o mundo e viverá uma vida em íntima união com Deus, e seu espírito se dará a conhecer à alma onde e quando ela o desejar...._>Amém
Vertaler