Vergelijk Kundgabe met vertaling

Meer vertalingen:

Werkzaamheid in het hiernamaals en de mogelijkheid om op te stijgen

De zielen, van wie de rijpheidsgraad nog heel laag is, ontbreekt het in het hiernamaals aan elke kracht. Ze ondervinden daarom onuitsprekelijke kwellingen. Ze zijn zich van de kracht bewust, waarover ze op aarde konden beschikken. Zodoende is hun lot verslechterd en ze beseffen, dat ze niet in staat zijn om hun toestand te verbeteren.

De toestand van lijden van de mensen valt niet te beschrijven. Het is een toestand van de ergste gebrekkigheid en het smartelijkste gevoel van onbehagen. En in deze nood voegen zielen zich bij hen om te proberen hen uit hun lethargie wakker te schudden en hen om te beginnen het martelende van hun toestand voor ogen te houden om in hen de wil op te wekken om iets ter verbetering van hun toestand te doen. De aard van deze werkzaamheid is onbegrijpelijk voor de mensen. Het is een dienende bezigheid, die echter geen aards fundament heeft, maar die aan het geestelijke rijk aangepast is en daarom niet verklaard kan worden voor de mensen.

Nochtans is het een activiteit, die de wil van de ziel als voorwaarde heeft. Het is een activiteit, die ze kan uitvoeren, als de wil om te helpen actief in haar wordt. Alleen het willen helpen levert de ziel een verbetering van haar toestand op en dus ook een vooruitgang in haar geestelijke ontwikkeling.

Het is echter buitengewoon moeilijk om zulke krachteloze, eenvoudige zielen ertoe aan te sporen, hen ertoe te bewegen, om zich nuttig te maken. Om andere zielen te helpen. Meestal zijn juist deze zielen zo doordrongen van het eigen leed, dat ze voor het lijden van de andere zielen geen begrip hebben. Ze gaan achteloos aan hen voorbij. Ja, ze berokkenen hen vaak nog leed en hun omgang is liefdeloos tegen elkaar.

Maar de ziel ervaart dan des te grotere kwellingen en deze nemen tot in het ondraaglijke toe om de ziel gewillig te maken, als de lichtwezens hen nu in hun vermomming naderen. De weerstand is vaak groot, maar anderzijds ervaren de zielen het medeleven in hun nood als weldadig en ofschoon ze aanvankelijk ook afwijzend zijn, willen ze dan het medeleven niet missen en verlangen ernaar. En dit is al een kleine vooruitgang, die de lichtwezens naarstig benutten.

En dit werk aan de onrijpe zielen vereist veel liefde en geduld bij de lichtwezens. Maar het succes is ook zo gelukkig makend, dat ze zich onophoudelijk inspannen om deze arme zielen verlossing te kunnen brengen. Zodra de ziel maar wat meegaander geworden is, kan het werk van de lichtwezens aan haar beginnen. Deze maken haar nu bekend dat ze haar lot door liefdeloosheid verergert, maar het door de liefde kan verbeteren.

Ze proberen haar tot helpende activiteit aan te sporen, doordat ze haar het lijden van de andere zielen voorhouden en er nu naar toewerken, dat de ziel deze zielen helpt. Ze laten de wil van de ziel wel de vrijheid, zodat deze de helpende activiteit uit eigen beweging uit zal voeren. En als de ziel dit doet, dan begint ook het opstijgen van de zielen die in nood zijn, want ook de andere zielen profiteren hiervan, omdat ze zelf dat voor hun medelijdende zielen doen, wat hun aangedaan werd.

De verlossende werkzaamheid in het hiernamaals is een ononderbroken werkzaam zijn in liefde van onvoorstelbare betekenis, opdat de zielen, die op aarde gefaald hebben, zich in het hiernamaals toch opwaarts kunnen ontwikkelen en het geluk en de gelukzaligheid van de hemel kunnen genieten.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Peter Schelling

L'activité dans l'au-delà et la possibilité de remontée

Aux âmes dont le degré de maturité est encore très bas, il manque toute Force dans l'au-delà. Donc elles éprouvent d’indicibles tourments. Elles se rendent compte de la force dont elles pouvaient disposer sur la Terre. Donc leur sort est aggravé car elles reconnaissent qu'elles sont incapables d'améliorer leur situation. Aux hommes on ne peut pas décrire leur état de souffrance parce qu'elles sont dans la plus extrême pénurie et dans un malaise atroce. Et dans cette misère il y a des âmes qui essayent de les ébranler de leur léthargie et de temps en temps guident devant leurs yeux le tourment de leur état pour réveiller en elles la volonté de faire quelque chose pour l'amélioration de leur situation. En général cette activité est pour les hommes incompréhensible, c’est une occupation servante, mais qui n'a aucun fondement terrestre, car elle est adaptée au Royaume spirituel et donc elle ne peut pas être expliquée à l'homme. Malgré cela, c’est une activité qui nécessite la volonté de l'âme; c’est une activité qui peut être exécutée si en elle devient vivante la volonté d'aider. Seulement la volonté d’aider procure à l'âme une amélioration de sa situation et avec cela aussi un progrès dans son développement spirituel. Mais il est outre mesure difficile de stimuler de telles âmes sans défenses, basses, et de les inciter à se rendre utiles pour aider d’autres âmes. Ces âmes sont presque toujours si compénétrées de leur souffrance, qu’elles n'ont aucune compassion pour la souffrance des autres âmes. Elles passent au-delà avec indifférence, et même souvent elles se causent encore de la souffrance et leur être est sans amour pour les autres. Mais alors l'âme perçoit de grands tourments et ceux-ci augmentent jusqu'à devenir insupportables pour rendre l'âme ductile lorsque maintenant les êtres de Lumière s'approchent dans leur déguisement. La résistance est souvent grande, mais d'autre part les âmes sentent la participation à leur misère comme un bénéfice, même si initialement elles sont encore dans le refus; mais elles ne veulent pas se passer de cette participation et elles la désirent et cela est déjà souvent un petit progrès que les êtres de Lumière exploitent avec ferveur. Ce travail sur une âme immature demande beaucoup d'amour et de patience de la part des êtres de Lumière. Mais le succès les rend très heureux de sorte qu'ils s’efforcent continuellement d’apporter la libération à ces pauvres âmes. Dès que l'âme est maintenant devenue un peu plus souple, le travail des êtres de Lumière sur elle peut commencer. Ceux-ci lui font comprendre qu’au travers du désamour elles aggravent leur sort, alors qu’à travers l'amour elles pourraient l'améliorer. Elles cherchent à les stimuler à une activité d'aide en tenant devant leurs yeux la souffrance des autres âmes et maintenant ils agissent pour que ces âmes les assistent. Ils laissent certes la liberté à la volonté de l'âme, de sorte qu’elle doive exécuter cette activité d'aide par sa propre poussée. Et si l'âme le fait, alors la remontée commence pour les âmes souffrantes dans la misère, parce que les autres âmes en profitent aussi, parce qu'elles-mêmes font aux âmes Co-souffrantes ce qui leur a été fait. Dans l'au-delà l'activité salvatrice réside dans une activité ininterrompue dans l'amour et elle est d'une importance inimaginable pour que les âmes qui ont échoué sur la Terre puissent de toute façon encore se développer vers le Haut dans l'au-delà pour pouvoir goûter le bonheur et la Béatitude du Ciel.

Amen

Vertaler
Vertaald door: Jean-Marc Grillet