Alles wat met de aarde verbonden is, stroomt net zo lang het licht tegemoet, als dit zich nog niet in het stadium van de vrije wil bevindt. Bijgevolg bevindt het zich in een voortschrijdende opwaartse ontwikkeling, want het geestelijke, dat de scheppingswerken in zich bevatten, zal voor steeds grotere taken gesteld worden, die het vervullen moet en zo wordt daardoor ook voortdurend de goddelijke wil vervuld.
Maar in het laatste stadium van de belichaming van het geestelijke trekt God in zoverre Zijn wil terug, dat Hij nu de mens zelf laat bepalen of hij wel of niet dienend actief wil zijn. Indirect bepaalt Zijn wil wel de levensloop van de laatste uiterlijke vorm, de mens, maar schept daardoor alleen maar toegenomen mogelijkheden, die de mens tot dienende activiteiten aan moeten sporen.
Toch staat het de mens vrij om deze activiteiten uit te voeren, want hij kan de drang tot activiteit ook op een andere manier ontplooien, doordat hij een werk verricht, dat nooit van dienende liefde getuigt, maar de medemens schade berokkent of alleen zichzelf maar voordeel oplevert. Dan handelt de mens dus tegenovergesteld aan de goddelijke wil. Maar hij wordt niet gehinderd, omdat juist deze vrije wilsbeslissing het doel van de laatste belichaming op aarde is. Maar dan streeft de mens ook niet naar het licht, maar blijft hij in dezelfde ontwikkelingsfase als hij had bij het begin van de belichaming of hij ontwikkelt zich negatief. Al naar gelang zijn handelen de liefde ontbeert of geheel zonder liefde is.
Terwijl dus in het voorstadium de opwaartse ontwikkeling gegarandeerd is, omdat het wezen in elk scheppingswerk dient, ofschoon ook in een zekere toestand van moeten, wordt dit in het laatste stadium in twijfel getrokken, want het hangt van de vrije wil van de mens af. Van zijn verlangen naar licht, dat door zijn doen en denken tot uitdrukking komt. Als de mens tot liefde in staat is, dan streeft hij onvermijdelijk naar het licht en ontwikkelt hij zich positief. De liefdeloze mens daarentegen gebruikt zijn levensweg op aarde niet voor de voorwaartse ontwikkeling van de ziel en deze laatste weg is voor hem dus volledig nutteloos.
Maar gedwongen kan hij niet worden, omdat de vrij keuze voor goed of kwaad de zin en het doel van het aardse leven is en daarom moet hij zijn wil zelf actief laten worden zonder enige dwang of beïnvloeding. Maar de goddelijke wil leidt zijn levensweg zo, dat hem steeds weer gelegenheden geboden worden om dienend werkzaam te zijn. Maar zijn vrije wil wordt niet beknot, om welke reden hij zich eens moet verantwoorden voor zijn daden op aarde, net als voor zijn verzuim.
Amen
VertalerA tutto ciò che è legato sulla Terra affluisce la Luce finché non è ancora nello stadio della libera volontà. Di conseguenza si trova in un progressivo sviluppo verso l’Alto, perché lo spirituale che si cela nelle Opere di Creazione, viene posto davanti a compiti sempre più grandi che deve assolvere e così viene anche costantemente adempiuta la Volontà divina. Ma nell’ultimo stadio dell’incorporazione dello spirituale Dio ritira la Sua Volontà in quanto ora Egli lascia decidere l’uomo stesso se vuole o no attivarsi servendo. La Sua Volontà determina comunque indirettamente il corso della vita nell’ultima forma esteriore, dell’uomo, ma così gli crea solo maggiori possibilità che lo devono stimolare all’attività servente. Malgrado ciò l’uomo è libero di eseguire una tale, perché può vivere fino in fondo anche diversamente la spinta all’attività mentre esegue una attività che non testimonia mai dell’amore servente, ma danneggia il prossimo oppure procura un vantaggio solo a sé stesso. Allora l’uomo agisce quindi contrariamente alla Volontà divina, ma non ne viene ostacolato, dato che proprio questa libera decisione della volontà è lo scopo dell’ultima incorporazione sulla Terra. Ma allora l’uomo non tende nemmeno incontro alla Luce, ma rimane nello stesso stato di sviluppo come all’inizio dell’incorporazione, oppure si sviluppa in retrocessione, secondo se il suo agire manca d’amore oppure è totalmente disamorevole. Mentre quindi negli stadi antecedenti è garantito uno sviluppo verso l’Alto, perché l’essere serve in ogni Opera di Creazione anche se in un certo stato di costrizione, questo è messo in discussione nell’ultimo stadio dello sviluppo verso l’Alto, perché questo dipende dalla libera volontà dell’uomo, del suo desiderio per la Luce che si manifesta attraverso il suo fare e pensare. Se l’uomo è in grado di amare, allora tende inevitabilmente incontro alla Luce e si sviluppa progressivamente; l’uomo disamorevole invece non utilizza la via della sua vita terrena per continuare lo sviluppo dell’anima e così per lui quest’ultima via è totalmente inutile. Ma non può essere costretto, dato che la libera decisione per il Bene o per il male è il senso e lo scopo della vita terrena e perciò deve far diventare attiva la sua volontà stessa senza qualsiasi costrizione o influenza. Ma la Volontà divina guida il corso della sua vita in modo che gli venga di nuovo offerta l’occasione per l’attività servente, ma non gli viene limitata la sua volontà, per cui deve anche una volta rendere conto per le sue azioni sulla Terra come per la loro omissione.
Amen
Vertaler