In de geestelijke wereld komt de kennis van een wezen met zijn staat van rijpheid overeen. Dat wil zeggen dat zodra het wezen zich op aarde of in het hiernamaals door een werkzaam zijn in liefde tot volmaaktheid gevormd heeft, hem door de geestelijke kracht wijsheid toestroomt. Hij heeft kennis van alles in de schepping, van het besturen en werkzaam zijn van God in het geestelijke rijk en van doel van al het wezenlijke. Hij is wetend geworden en zijn toestand is zodoende een toestand van licht.
Maar omdat nu de volmaaktheidsgraad verschillend kan zijn, zullen de wezens zich ook in verschillende gradaties van licht bevinden. Zodoende zijn ook de sferen in het geestelijke rijk niet hetzelfde. Dat wil zeggen dat de uitstraling van licht, die van de wezens uitgaat, een verschillende lichtkracht heeft. Bijgevolg is ook het effect op de wezens zonder licht verschillend. Dit effect kan zo sterk zijn, dat de wezens zonder licht de overvloed van licht niet kunnen verdragen. Dat wil zeggen dat de geestelijke substanties hierdoor volledig opgelost zouden kunnen worden en dit dus een ongehinderd werkzaam zijn van deze lichtwezens onmogelijk maakt.
Het werkzaam zijn van de lichtwezens bestaat in het onderwijzen van degenen, die volledig zonder kennis zijn. Het lichtwezen moet zich dus aan de toestand van de wezens zonder licht aanpassen. Het mag niet met zijn gehele lichtsterkte in de nabijheid van deze wezens komen, maar deze moet als het ware zijn licht temperen, zodat het wezen zonder licht niet verblind wordt en nu voor het in ontvangst nemen van het licht, dat wil zeggen de kennis, geheel ongeschikt wordt.
Dat aanpassen aan de donkere staat is er vooreerst voor nodig, zodat het wezen elke schroom ontnomen wordt en het zich zonder geremdheid ervan kan ontdoen, want pas dan kunnen de lichtwezens succesvol werkzaam zijn. Ze moeten hun overvloed aan licht temperen. Ze moeten dit in een omhulsel verbergen, opdat ze de zielen, die behoefte aan licht hebben, zonder gevaar naderbij kunnen komen.
Toch bevinden ze zich in een helderder licht dan deze zielen, om de weldaad van het licht naar hen uit te kunnen laten stralen. Zodra nu de ziel zonder licht de weldaad voelt, wat ook nog van haar wil om licht te ontvangen afhankelijk is, zal ze ook gehoor schenken aan de denkbeelden van de lichtwezens en steeds weer naar hun voedsel verlangen. Ze zal ook hun leringen op zich in laten werken en er nu eveneens gebruik van maken, doordat ze de nu verworven kennis doorgeeft aan eveneens naar licht behoeftige en dus lijdende zielen. Want het ontbreken van licht is een toestand van lijden. Een toestand van gebrek en onbehagen, die de ziel als kwellend ervaart.
Hoe meer de ziel zich er mee belast om de net zo lijdende zielen te helpen, des te bereidwilliger zijn ook de lichtwezen, die nu steeds helderder en stralender degenen naderen, die willen ontvangen en hun licht en kracht, dat wil zeggen goddelijke wijsheid, geven. Al naar gelang deze kennis is nu ook de graad van licht van de ziel toegenomen, want kennis is licht, dat in het hiernamaals, in het geestelijke rijk, in een stralendere helderheid en lichtsterkte tot uiting komt.
Amen
VertalerNo mundo espiritual, o conhecimento do ser corresponde ao seu estado de maturidade, ou seja, assim que o ser se formou em perfeição através da atividade amorosa na Terra ou no além, a sabedoria divina fluiu para ele sob a forma de força espiritual. Ele está consciente de tudo na criação, do reinado e atividade de Deus no reino espiritual e do destino de todos os seres. Ele tornou-se conhecedor, e seu estado é, portanto, um estado de luz. Mas como o grau de perfeição pode ser diferente, os seres também estarão em diferente abundância de luz; assim as esferas no reino espiritual também não são as mesmas, ou seja, a radiação luminosa que emana dos seres é de diferente força de luminosidade, conseqüentemente o efeito sobre os seres sem luz também é diferente. Este efeito pode ser tão forte que os seres sem luz não podem tolerar a abundância da luz, ou seja, as substâncias espirituais poderiam ser completamente dissolvidas por ela e, portanto, isso torna impossível um funcionamento sem entraves desses seres de luz. A atividade dos seres leves consiste em ensinar aqueles que estão completamente sem conhecimento. O ser de luz deve, portanto, tentar adaptar-se ao estado dos seres sem luz, não deve aproximar-se desse ser com toda a sua luminosidade, mas deve, por assim dizer, diminuir sua luz para que o ser sem luz não fique cego e agora se torne completamente inadequado para receber a luz, ou seja, o conhecimento. O ajuste ao estado de escuridão é primeiro necessário para que toda timidez seja tirada do ser e possa se expressar sem inibição, pois só assim o ser de luz pode funcionar com sucesso.... (30/9/1942) Eles têm de diminuir a sua abundância de luz, têm de a abrigar sob um abrigo para que possam aproximar-se das almas que necessitam de luz sem perigo para elas. No entanto, eles estão numa luz mais brilhante do que aqueles, a fim de poder deixar a bênção da luz fluir sobre eles. Assim que a alma sem luz sentir o benefício, que também ainda depende da sua vontade de receber luz, ouvirá também as idéias dos seres de luz e desejará sempre de novo a sua proximidade. Deixará que os seus ensinamentos tenham um efeito sobre ela e agora também os utilizará, transmitindo o conhecimento que agora adquiriu às almas que também necessitam de luz e, portanto, sofrem. Pois a ausência de luz é um estado de sofrimento, um estado de falta e desconforto, que a alma sente agonizante. Quanto mais a alma se preocupa em ajudar as almas que sofrem, mais dispostos estão os seres de luz, que se aproximam daqueles que querem receber luz e força, isto é, sabedoria divina, cada vez mais brilhante e radiante. Dependendo deste conhecimento, o grau de luz da alma agora também aumentou, pois o conhecimento é luz que no além, no reino espiritual, se expressa em brilho radiante e luminosidade...._>Amém
Vertaler