Jullie mensen zien in de vleselijke lust de vervulling van jullie lichamelijke begeerten en jullie geven je daardoor dus over aan het aardse genot. Maar wat het lichaam welbehagen verschaft, is weinig zegenrijk voor de ziel, want de ziel kan zich alleen maar positief ontwikkelen, als ze niet aan de lichamelijke verlangens toegeeft. Als ze vrijwillig afziet van alles, wat het lichaam tot zijn bevrediging eist.
De mens moet de liefde beoefenen en daarom moet hij zijn medemensen altijd helpen in al hun nood van het lichaam en de ziel. De ware liefde zal altijd willen geven en moet daarom ook dan klaar staan voor een werkzaam zijn in liefde, als de medemens in nood is. Deze instelling is ook doorslaggevend voor het uitrijpen van de ziel.
De graad van liefde wordt in zekere zin door God beoordeeld, als twee mensen zich zuiver lichamelijk verbinden. De mens kan in elke situatie opvoedend en veredelend inwerken op de medemens en de wil tot dat laatste is er beslissend voor of een lichamelijke verbinding tot zegen is of voor God niet kan bestaan.
De goddelijke liefde, barmhartigheid en het geduld oefenen grote toegevendheid naar de mensen en in het bijzonder naar degenen, die God hun zwakte voorleggen en Hem om kracht vragen. Want zolang de mens de aarde toebehoort, is ook zijn aardse verlangen groter en daarom moeilijker te overwinnen. Maar hoe meer de mens ervoor vecht om de aardse verlangens te onderdrukken, des te merkbaarder wordt hem de kracht toegestuurd om verzet te bieden tegen de aardse begeerten, zonder het gebod van de naastenliefde te overtreden.
Want de liefde is de eerste voorwaarde. De liefhebbende mens zal steeds alleen maar het welzijn van anderen op het oog hebben en hij zal daarom alles doen, wat van hem geëist wordt, omdat de liefde steeds geeft en de liefhebbende mens nooit aan zichzelf denkt. De gevende liefde zal altijd welgevallig zijn voor God en daarom is de mate van de bereidheid om te geven doorslaggevend voor de opwaartse ontwikkeling van de ziel.
Amen
VertalerVós, humanos, vedes a realização dos vossos desejos corporais na luxúria carnal, e assim vos entregais ao prazer terreno. Mas o que ajuda o corpo a sentir-se bem não é muito benéfico para a alma, pois a alma só pode desenvolver-se progressivamente se não ceder ao desejo corporal, se renunciar voluntariamente a tudo o que o corpo exige para o seu cumprimento .... O ser humano deve praticar o amor .... e, portanto, deve sempre ajudar o seu semelhante em todas as dificuldades do corpo e da alma. O verdadeiro amor quererá sempre dar e, portanto, também deve estar preparado para trabalhar com amor quando o ser humano está em aflição. Esta atitude é também decisiva para o amadurecimento da alma. O grau de amor é, por assim dizer, avaliado por Deus quando duas pessoas se unem puramente fisicamente. Em cada situação o ser humano pode ter um efeito educador e enobrecedor sobre o seu semelhante, e a vontade deste último é decisiva para saber se uma união física é uma bênção ou não pode existir diante de Deus. .... O amor divino, a misericórdia e a paciência exercem a maior indulgência com as pessoas, e especialmente com aqueles que apresentam suas fraquezas a Deus e apelam a Ele para a força .... Enquanto o Homem pertencer à Terra o seu desejo terreno é maior e, portanto, mais difícil de superar. Contudo, quanto mais o ser humano luta para suprimir os desejos terrenos, mais visivelmente ganha forças para resistir ao desejo terreno sem violar o mandamento do amor para com o próximo ..... Pois o amor é a primeira condição .... A pessoa amorosa só terá sempre em mente o bem-estar do outro e, portanto, fará tudo o que lhe for exigido, porque o amor é sempre o doador e a pessoa amorosa nunca pensa em si mesma. Dar amor será sempre agradável diante de Deus e, portanto, o grau de disposição para dar é decisivo para o desenvolvimento superior da alma ...._>Amém
Vertaler