Het geestelijke oog kijkt door alle aardse omhulsels heen en is dus in staat om ook het werkzaam zijn in het geestelijke rijk te zien, waaronder ook de geestelijke werkzaamheid van al het wezenlijke, dat nog aan de aarde gebonden is, verstaan moet worden. Alles, wat niet voor het menselijke oog zichtbaar is, kan met het geestelijke oog gezien worden en tijd en ruimte zijn geen hindernis, want de mens, die in staat is om geestelijk te zien, kijkt voorbij tijd en ruimte en ziet dingen die er waren, die er nu zijn en die nog zullen komen. Hij ziet de werkzaamheid in het geestelijke rijk, maar hij ziet ook de aardse gebeurtenissen, die uit deze geestelijke werkzaamheid voort moeten komen, zoals het in het plan van de goddelijke wijsheid bepaald is.
Maar slechts weinig mensen hebben de gave van het geestelijk zien. Slechts voor weinig mensen ontvouwt God ook de toekomst, want een algemene kennis hieromtrent zou de opwaartse ontwikkeling van de mens in gevaar brengen. Dat wil zeggen hen passief het komende af laten wachten. Maar deze weinige mensen hebben de taak om hun medemensen er kennis van te geven, wat zich aan hun geestelijke oog aanbiedt, opdat zij zich daar vertrouwd mee maken.
De gave van het vooruitzien is in zekere zin het recht van diegenen, die een geestelijke verbinding met de krachten in het geestelijke rijk tot stand brengen. Dit kan een bewuste, maar ook een onbewuste verbinding zijn. De mens kan door zijn wil zijn hart openen voor de stromingen uit het geestelijke rijk. Zich dus bereid verklaren om onderricht via de gedachten in ontvangst te nemen en deze mensen wordt dan ook het tweede gezicht gegeven: met het geestelijke oog gebeurtenissen te zien, die in de toekomst liggen.
Maar ook onbewust zijn de mensen ontvangers van geestelijke boodschappen en wel dan, als de levenswandel, zoals ze die hebben, hen in staat stelt om geestelijke overdrachten op te nemen. Als ze dus een bepaalde bereidheid hebben om de naaste te dienen en een onbaatzuchtig werkzaam zijn in liefde het werkzaam zijn van geestelijke krachten toelaat, zodat heldere dromen of duidelijke beelden hun de komende gebeurtenissen onthullen, die de mens dan weer bewust door kan geven, zoals hij deze ontvangen heeft.
En aan deze zaken wordt alleen maar aandacht geschonken en ze worden alleen maar gewaardeerd door diegenen, die eveneens een liefhebbend hart hebben, terwijl ze door anderen als onbelangrijk en onwaarschijnlijk afgewezen worden. Maar er moet altijd wel een bepaalde graad van rijpheid van de ziel bereikt zijn, ook als deze naar buiten toe niet herkenbaar is. Geestelijke krachten moeten werkzaam kunnen zijn en deze moeten in opdracht van God hun de beelden geven. Dat wil zeggen dat de gevende krachten zelf in verbondenheid met God de kennis daarvan opnemen en door willen geven.
Een blik in de toekomst zal enkel de ontwikkeling van de ziel beïnvloeden, maar nooit aardse voordelen kunnen bewerkstelligen. Evenzo zal ook het geestelijke zien, het doordringen van de materiële omhulsels met het geestelijke oog, enkel dan de mens ten deel vallen, als hij geen aardse successen meer nastreeft. Wanneer hij alleen nog maar probeert om de geheimen van de schepping binnen te dringen, in het diepe geloof en de deemoedige overgave aan een alwijze en liefdevolle Schepper en wanneer hij de verworven indrukken weer aan de medemensen over zou willen dragen om hun zielenheil te bevorderen. De diepste liefde voor God en de diepste liefde voor de naaste kunnen hem de gave van het geestelijke zien opleveren, maar zijn ervaringen en kennis zijn weer alleen maar voor die mensen geloofwaardig, die op hetzelfde spoor zitten. Voor de wereldse mens daarentegen is niets aanvaardbaar, wat hij zelf niet zien of begrijpen kan.
Het geestelijke zien heeft zodoende een God welgevallige levenswandel en een hart, dat bereidwillig is om te geven en die de geestelijke geschenken door wil geven als voorwaarde. Maar de mens is niet altijd in staat om de beelden, die hij gezien heeft, aan de medemensen te beschrijven als diens begripsvermogen niet dezelfde geestelijke hoogte heeft. Dat wil zeggen als diens graad van rijpheid achterloopt bij die van degene die ziet.
Degene die ziet, moet volledig zonder de invloed van inwerkingen van buitenaf de beelden in zich opnemen. Hij moet als het ware innerlijk vrij zijn van andere indrukken, dus bereidwillig zijn om alleen maar de geestelijke toestroom op zich in te laten werken. Hij moet zich hier geheel aan overgeven en geen vreemde invloeden toegang verlenen. En hij doet dit als zijn wil alleen maar naar de zuivere waarheid verlangt. Als hij alleen God als authentieke bron van de waarheid erkent. Dan zullen de beelden ook volledig met de waarheid overeenkomen en hij zal ook in staat zijn om de zaken precies zo weer te geven.
Maar dezelfde voorwaarde geldt ook de mens, die de beschrijving in ontvangst neemt. Eigen verkeerd denken of een verkeerd eigen gedachtengoed, dat hij niet op wil geven, verandert voor hem ook het beschreven beeld. En daarom is alleen maar de weergave van de degene die zelf ziet werkelijk waardevol. Of ook de medemens moet een hoge rijpheidsgraad van de ziel hebben, zodat hij het beeld niet anders op kan nemen, dan zoals het hem overgedragen wordt.
Geestelijk zien heeft zowel betrekking op komende alsook op voorbijgegane gebeurtenissen, die aards plaatsvinden of plaatsgevonden hebben, maar die altijd met de geestelijke opwaartse ontwikkeling in verband staan. Zaken in de toekomst worden alleen maar dan voorspeld, als deze de mensen voor moeten bereiden, opdat ze aan hun ziel denken. Terwijl het door de zieners zien van zaken die achter hen liggen in zekere zin alleen maar moeten bevestigen dat er een geestelijke verbinding bestaat en altijd bestaan heeft tussen God en Zijn schepselen en dat daarom ook de overleveringen, die door de lengte van de tijd naar het rijk van de fabelen en legenden verdrongen zullen worden, geloof geschonken mogen worden.
Wat er sinds eeuwigheden allemaal al op de aarde gebeurd is om de mensheid tot inzicht te brengen, zal steeds weer door zieners aan de mensen bevestigd worden. En wat er in de toekomst weer met als doel de opwaartse ontwikkeling van de ziel gebeurt, openbaart God eveneens aan de mensheid door mensen, die in staat zijn om geestelijk te zien of die Zijn woord in ontvangst nemen via de weg van een rechtstreekse verbinding met geestelijk wetende krachten.
Amen
VertalerL’occhio spirituale guarda attraverso tutti gli involucri terreni e quindi può anche contemplare l’attività nel Regno spirituale, tra cui è anche da intendere l’attività spirituale di tutto l’essenziale che è ancora legato sulla Terra. Tutto ciò che non è visibile all’occhio umano può essere contemplato con l’occhio spirituale, e tempo e spazio non sono un ostacolo, ma oltre il tempo e lo spazio può guarda e l’uomo che è in grado di contemplare spiritualmente le cose che erano, che ora sono e che devono ancora venire. Egli vede l’attività nel Regno spirituale, ma vede anche avvenimenti terreni che devono risultare da quell’attività spirituale com’è determinato nel Piano della Sapienza divina. Ma solo pochi uomini hanno i Doni della contemplazione spirituale, solo a pochi uomini Dio stende anche il futuro, perché un sapere generale su questo metterebbe a rischio lo sviluppo verso l’Alto degli uomini, cioè questi aspetterebbero inattivi l’avvenimento in arrivo. Quei pochi uomini però hanno il compito di dare comunicazione ai loro prossimi di ciò che si offre al loro occhio spirituale, affinché costoro ne prendano confidenza. Il Dono della preveggenza è in certo qual modo il diritto di coloro che stabiliscono un collegamento spirituale con le Forze del Regno spirituale. Questo collegamento può essere cosciente ma anche incosciente; attraverso la sua volontà l’uomo può aprire il suo cuore alle correnti dal Regno spirituale, quindi dichiararsi pronto di accogliere mentalmente delle istruzioni ed a questi uomini viene poi anche aperta la seconda vista, di contemplare con occhi spirituali dei procedimenti che sono nel futuro. Ma gli uomini sono anche inconsapevolmente riceventi di messaggi spirituali e questo quando il cammino di vita che conducono li rende ricettivi per le trasmissioni spirituali, quando una certa volontà di servire il prossimo, un agire nell’amore disinteressato permette l’agire delle Forze spirituali, in modo che chiari sogni oppure immagini limpide rivelano loro degli avvenimenti in arrivo che l’uomo poi può comunicare coscientemente come li ha ricevuti. E queste visioni vengono considerate e valutate solo da coloro che sono pure di cuore amorevole, mentre dagli altri vengono respinti come irrilevanti ed improbabili. Ma deve sempre essere raggiunto un determinato grado di maturità dell’anima, anche se esteriormente non è riconoscibile, le Forze spirituali devono poter agire e nell’Incarico divino devono trasmettere loro delle immagini, cioè le Forze donanti stesse nell’unione con Dio devono ricevere il sapere su ciò e voler condurlo oltre. Uno sguardo nel futuro influenzerà sempre soltanto lo sviluppo dell’anima, ma non deve mai procurare un vantaggio terreno. Pure così la contemplazione spirituale, il compenetrare l’involucro materiale con l’occhio spirituale, sarà destinato all’uomo solamente quando non aspira più a nessun successo terreno, quando cerca solo ancora di penetrare nei Misteri della Creazione nella profonda fede ed umile dedizione ad un Creatore onnisapiente ed amorevole e quando vorrebbe di nuovo comunicare le impressioni conquistate al prossimo per promuovere la salvezza della sua anima. Il più profondo amore per Dio e profondissimo amore per il prossimo possono procurargli il Dono della contemplazione spirituale, ma le sue esperienze e conoscenze sono di nuovo credibili solo per gli uomini che sono sullo stesso sentiero, all’uomo mondano invece nulla è accettabile di ciò che lui stesso non vede o non può toccare. La contemplazione spirituale ha quindi per precondizione un cammino di vita compiacente a Dio ed un cuore volenteroso di dare, che desidera dare oltre il Dono spirituale. L’uomo però non può sempre rendere al prossimo le immagini che ha contemplato se la sua facoltà di comprensione non ha la stessa altura spirituale, cioè se il suo stato di maturità è minore di quella del contemplatore. Quest’ultimo deve cogliere in sé le immagini totalmente non influenzato da effetti esteriori, dev’essere in certo qual modo libero interiormente da altre impressioni, quindi dev’essere volenteroso di lasciar agire su di sé soltanto l’afflusso spirituale. Si deve dare a questa totalmente e non concedere l’accesso a nessuna influenza estranea. E lo fa quando la sua volontà desidera solo la pura Verità, quando riconosce unicamente Dio come autentica Fonte della Verità. Allora le immagini corrisponderanno anche totalmente alla Verità e sarà anche in grado di rendere precisamente così le visioni. Ma la stessa premessa vale anche per gli uomini che ricevono la descrizione. Il proprio sapere sbagliato o il proprio patrimonio mentale errato a cui non vuole rinunciare, cambia anche l’immagine a lui descritta. La resa soltanto attraverso il contemplativo stesso è perciò veramente preziosa oppure anche il prossimo non possa rendere l’immagine diversamente di come gli viene trasmessa. La contemplazione spirituale si riferisce sia all’avvenimento in arrivo come anche a quello passato che si svolgono o si sono svolti in modo terreno che però stanno sempre in collegamento con lo sviluppo spirituale verso l’Alto. Le cose del futuro vengono predette solo attraverso veggenti quando devono preparare gli uomini affinché pensino solo alla loro anima, mentre la contemplazione di cose passate deve soltanto confermare che esiste un collegamento spirituale fra Dio e le Sue creature e che è sempre esistito ed in ogni tempo, e che perciò dev’essere anche data fede alle trasmissioni che attraverso la lunghezza del tempo devono essere respinte nel reame delle fiabe e leggende. Quello che è successo sulla Terra sin da delle Eternità verrà sempre di nuovo confermato agli uomini attraverso veggenti per guidare l’umanità alla conoscenza, quello che succede nel futuro di nuovo allo scopo dello sviluppo animico verso l’Alto, lo rivela Dio pure all’umanità attraverso uomini che sono in grado di contemplare spiritualmente oppure ricevono la Sua Parola sulla via del diretto collegamento con le Forze spirituali sapienti.
Amen
Vertaler