Elke geestelijke activiteit vereist een wil, die aan de wil van God gelijk is. Zodra een wezen, hetzij op aarde of ook in het hiernamaals, geestelijk actief is, is zijn wil op God gericht. Het is dus niet meer weerspannig tegen God, maar het onderwerpt zich aan Zijn wil, terwijl een wezen, dat zich nog niet aan Hem onderwerpt, of geen drang heeft naar geestelijke activiteit of daartoe hem de kracht ontbreekt, nog op verre afstand staat van Degene, met Wie het zich moet verenigen.
Dezelfde wil te hebben als God betekent dat te doen, wat God wil. In volledige overeenstemming met God werkzaam te zijn en te scheppen. En altijd beoogt dit werkzaam zijn het verlossen van het nog gebonden geestelijke. En deze werkzaamheid kan zowel op aarde, alsook in het hiernamaals uitgevoerd worden en zal altijd het belangrijkste zijn en blijven, zolang het geestelijke nog niet geheel en al verlost is. Dus in tijd en eeuwigheid zal dit de werkzaamheid van degene zijn, die zich in de vrije staat bevindt, opdat het ook het gebonden geestelijke helpt om vrij te komen.
Geestelijk werkzaam te zijn betekent licht te brengen bij die wezens, die nog door het duister gaan. Het betekent de waarheid te verspreiden, opdat ze zich naar het licht keren, zodat ze in liefde werkzaam worden. Het is de grootste liefdesactiviteit om het niet-verloste geestelijke de weg naar het licht te wijzen. Gods enorme liefde kent geen ander doel dan het geestelijke naar de vrijheid te leiden en alle wezens, die Zijn wil willen vervullen, die zich bij Hem aansluiten, zullen eveneens geen ander doel hebben en bijgevolg ook geen andere wil, dan het niet-verloste geestelijke te helpen.
Op aarde getuigt de mens van zijn wil om verlossend werkzaam te zijn, doordat hij in liefde doorgeeft, wat hem geboden werd en hem een bepaalde geestelijke vrijheid bezorgd heeft, doordat hij dus helpt licht en waarheid te verspreiden. In het hiernamaals betreft de werkzaamheid van het geestelijke eveneens het verspreiden van de waarheid. Deze werkzaamheid is enkel een via de gedachten onderrichten, dus daar is een puur geestelijke werkzaamheid onder te verstaan. Deze overdracht van gedachten moet dus met de wil van God overeenkomen, omdat het wezen in het hiernamaals niets anders dan de wil van God uit kan voeren, als het met God verbonden is.
De wezens in het hiernamaals, die ver van God af staan, dus nog heel weerspannig tegen Hem zijn, beïnvloeden weliswaar ook de gedachten van de mensen, maar nooit in geestelijk opzicht, want ze brengen hen ertoe materieel te denken en leiden hun gedachten nooit naar God, maar van Hem af. Zodoende kan deze beïnvloeding via de gedachten geen geestelijke activiteit genoemd worden, ofschoon het verkeerde denken ook van wezens uitgaat, die niet tot de aarde behoren. Maar hun wil is niet dezelfde als die van God en hun kracht is slechts gering, zodat ze alleen maar invloed hebben op deze mensen, die zich eveneens tegen de wil van God verzetten.
Amen
VertalerDio provvede agli uomini secondo la loro fede. Questo è da comprendere nel modo che gli uomini si fanno proprietà spirituale ciò che insegna loro la loro fede e quindi adempiono anche tutto ciò che viene preteso da loro attraverso la fede. Con questo adempimento Dio valuta la volontà dell’uomo che è perciò buona perché si volge verso Dio. L’uomo vuole fare ciò che è compiacente a Dio, ciò che gli insegna la fede. E se questa volontà rivolta a Dio determina il suo pensare ed agire, anche questo compiace a Dio, benché l’uomo non si trovi nella Verità, cioè è stato istruito in una falsa fede. Perciò diventeranno beati anche gli uomini ai quali manca la vera fede, se soltanto tendono in un cammino di vita giusto davanti a Dio e fanno sempre ciò che appare loro giusto davanti a Dio. A loro viene comunque sempre data la possibilità di accettare la giusta fede, a loro viene portata vicina la pura Verità. Ma se un uomo crede di non poterla accettare, perché lui stesso crede di stare nella Verità, condurrà comunque un cammino di vita giusto, compiacente a Dio e questo verrà riconosciuto da Lui, perché l’uomo vuole il bene, perché vuole adempiere la Volontà di Dio. E così ogni azione che esegue, verrà anche valutata secondo la sua volontà. Ed ogni cerimonia che in sé è del tutto inutile, diventa una azione compiacente a Dio tramite la volontà di servire con ciò Dio. Quindi, l’uomo buono può conquistare il Compiacimento di Dio attraverso ogni azione, appena l’esegue per l’onore di Dio, appena crede con ciò di servire Dio, benché l’azione in sé non abbia nessun valore più profondo. D’altra parte però una determinata azione cerimoniale è inutile, se non vi è alla base la volontà rivolta a Dio. E l’uomo può bensì tendere a Dio con tutta la sua volontà senza una tale cerimonia, e questa volontà viene valutata proprio così altamente da Dio e quell’uomo che disattende tutte le esteriorità, ma vuole coscientemente servire Dio, Gli può essere persino molto più vicino. Ma com’è la fede dell’uomo, così si manifesterà anche l’Agire di Dio su di lui, perché Dio non lascia andare in rovina la fede dell’uomo, finché costui non si rivolge contro Dio. Ma è sbagliato presumere, che vive compiacente a Dio solamente quell’uomo che adempie severamente tutte le esteriorità. Nulla di riconoscibile esteriormente decide il giusto valore dinanzi a Dio, unicamente la volontà che Dio vede, non importa se l’uomo esegue delle azioni che attraverso la fede vengono pretese da lui.
Amen
Vertaler