B.D.-Nr. 2790

Gedachten – Van de wil afhankelijk

De gedachten vormen zich overeenkomstig de menselijke wil en daarom is de mens ook voor zijn gedachten verantwoordelijk. Zodra de mens zichzelf gadeslaat, zal hij beseffen dat zijn gedachten dat pad gaan, dat zijn wil hem voorschrijft. Dat hij dus hem onaangename gedachten verwerpt en bij deze gedachten, die hem bevallen, langer blijft hangen. En zodoende is de menselijke wil doorslaggevend en deze zal weer al naar gelang de wil, naar de wereld of naar het geestelijke rijk, verkeerd of goed zijn voor God.

En daarom kan God de mensen nog zulke leedvolle gebeurtenissen laten overkomen, het hangt alleen van de menselijke wil af, hoe hij het opneemt en of het een verandering van zijn denken tevoorschijn brengt. De nood en de ellende in de wereld moeten de mensen naar God terugleiden. Dat wil zeggen dat hun gedachten erop gericht moeten zijn om de nood van de medemensen te verminderen, God om hulp te roepen en altijd de goddelijke wil te vervullen.

Maar de mensen verharden steeds meer en zelfs het zwaarste leed is niet in staat hen te veranderen. Want hun denken is alleen maar op de aardse materie gericht. Wel dringen zich ook andere gedachten in de mensen op, maar deze neemt hij niet aan. Zijn wil verwerpt deze en hij houdt vast aan zulke gedachten, die geestelijk weinig bevorderlijk zijn, want hij heeft de wereld lief en laat zijn gedachten ook voortdurend om deze aardse wereld cirkelen. Als een gedachte aan God hem nabijkomt, dan verwerpt hij deze, in plaats van hem te grijpen en ernstig met zijn Schepper tot een vergelijk te komen en het wereldgebeuren in verband te brengen met het leven van het individu en zijn instelling ten opzichte van God.

De onbestendigheid van het aardse bezit en de hem voortdurend voor ogen tredende dood van de medemensen, zouden zijn gedachten van het aardse af moeten leiden en hem op de eeuwigheid moeten wijzen, maar alle opduikende gedachten daaraan laat hij weer vallen of hij verzet zich ertegen en dat is het, waarvoor hij zich eens moet verantwoorden. Zijn wil streeft naar de wereld en zijn denken blijft altijd dezelfde richting uit gaan.

En dit is de staat van de gehele mensheid, afgezien van de weinigen, die in hun grootste ellende naar God vluchten en zich aan Hem en Zijn genade aanbevelen. Maar weinigen verlangen niets meer van deze wereld en streven naar het geestelijke rijk, maar de meerderheid is ook door het ergste gebeuren niet van het aardse denken af te brengen, om welke reden de nood en ellende nog niet tot een einde kan komen. De geestelijk lage stand van de mensen vereist dit en het verkeerde denken moet daardoor nog veranderd worden, omdat er anders geen verandering meer bereikt kan worden en de tijd dringt, want ze gaat haar einde tegemoet.

En daarom zal er nog veel leed over de aarde moeten komen, opdat de mensen zich vrij maken van de liefde voor de materie. Opdat ze de aarde overwinnen en geestelijke goederen nastreven, opdat ze die laatste tijd benutten, die hen nog overblijft tot aan de laatste beslissing.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.