B.D.-Nr. 2764

De oorspronkelijke substantie van de schepping is de liefde

De wereld is uit niets ontstaan. Dit is een geheim, dat verborgen blijft voor de mens, wiens geest nog niet ontwaakt is. Er was niets, dan alleen maar de wil van God en deze liet alles ontstaan, wat zich voor de menselijke zintuigen in het verre heelal als zichtbare scheppingswerken aanbiedt. De wil van God en Zijn macht volbracht het wonder van de schepping.

Maar voor de mens op aarde is zowel de wil alsook de macht van God onbegrijpelijk, zolang hij zelf krachteloos en wilszwak is, omdat hij ver van God verwijderd is. Pas de nabijheid van God levert hem dit inzicht op. Pas de nabijheid van God is in staat om hem het wezen van God begrijpelijk te maken en pas dan begrijpt hij dat alles uit de macht en de wil van God voortgekomen is.

En deze scheppende macht is een Wezenlijkheid, Die tot denken in staat is en door Haar wil Haar gedachten tot vorm laat worden. Ze heeft niets nodig, want de wil alleen is voldoende om iets te laten ontstaan, dat er eerst niet was. Die scheppende Macht, Die Zich door Haar wil als Wezen kenmerkt, is dus de bron van een onuitputtelijke kracht, want omdat er onophoudelijk nieuwe scheppingen ontstaan, moet een kracht dit tot stand brengen, waarvan de wil bepaalde dat het deze of gene vorm aan zou nemen. En omdat de wil met niet te overtreffen wijsheid gepaard gaat, moeten de scheppingen zowel in hun aard alsook in hun doel buitengewoon zinvol zijn. Ze moeten een doel dienen, omdat een wijze schepperskracht niets zonder overweging laat ontstaan.

Deze schepperskracht moet dus herkend worden in alles, wat de mens omgeeft. Want ze valt niet te ontkennen, omdat er anders geen ding zou bestaan, wat bestaat. Maar of de wijsheid van de Schepper herkend wordt, hangt af van de wil van de mens om diepere kennis binnen te dringen. Hij moet zien, wat er rondom hem gebeurt. Hij moet zijn verstand op de juiste manier gebruiken. Hij moet zijn gedachten op de eeuwige Schepper richten, opdat de kracht naar hem toe stroomt. Opdat hij de doelmatigheid van dat herkent, wat hem omgeeft.

De wijsheid van God kan hij pas herkennen, als hij zich diep met de individuele scheppingswerken bezighoudt. Als hij het doel daarvan probeert te doorgronden, dus naar opheldering verlangt naar wat aan het ontstaan van deze schepping ten grondslag ligt. Maar deze kennis kan alleen maar aan deze mens gegeven worden, van wie de geest in hem werkzaam kan worden. En hieruit wordt ook de macht en kracht van God, Zijn wil en Zijn wijsheid duidelijk en nu ook Zijn enorme liefde, die de diepste grond van de gehele schepping is.

Zodoende is de liefde de oorspronkelijke substantie van elk scheppingswerk, dat weliswaar geen materie is, maar door de wil van God materie werd. De liefde is geestelijke kracht. Ze is niet stoffelijk, maar iets etherisch, waarvan de mens zich als zodanig nog geen voorstelling kan maken. De liefde is het wezenlijke en daarom ook de oorspronkelijke substantie van de schepping, zoals ook het Wezen van de eeuwige Godheid Zelf liefde is.

De schepping is dus de uitstraling van de eeuwige liefde en dus een onvoorstelbare kracht, die in staat is om alles tot stand te brengen. De mens en al het zichtbare rondom hem is deze kracht in haar grootste vorm. Dat wil zeggen dat ze eeuwige tijden geleden van God uitgegaan is. Ze heeft zich in de oneindigheid verloren. Ze heeft zich naar de tegenpool van God begeven: de kracht, die zich als oorspronkelijk geschapen geest met een vrije wil negatief tegenover God opstelde. En ze heeft daardoor haar oorspronkelijke aard verloren. Ze heeft zich aan de wil van de tegenstander van God aangepast en is, om weer tot haar oorspronkelijke aard te komen, gebruikt voor de schepping van dat, wat zichtbaar is voor de mens.

En deze mogelijkheid om te veranderen is de zin en het doel van de hele schepping, zodat de van God uitgegane kracht weer de weg naar God terugvindt. De kracht van God is opbouwend en vormend. De kracht van Zijn tegenstander is slopend en vernietigend. God kan door Zijn wil de van Hem uitgaande kracht tot vorm laten worden en Hij doet dit, omdat zijn wezen de diepste liefde en wijsheid is.

De tegenstander van God gebruikt zijn kracht alleen maar om diegenen van Hem te scheiden, die God toebehoren, om de goddelijke ordening te verwoesten, want zijn kracht, die oorspronkelijk ook liefde was, heeft zich door zijn wil in het tegendeel verandert. In verkeerde liefde voor zichzelf en haat tegen alles, wat zich buiten hem bevindt. Zijn liefde probeert zich op alles te richten, wat van God uitgaat om zijn kracht te vergroten, maar hij richt zich niet in liefde tot dat, wat hij begeert, maar hij probeert het te verwoesten.

En omdat de liefde de diepste grond van elk scheppingswerk is, kan de tegenstander van God nooit zichtbare scheppingen laten ontstaan, want deze macht past alleen maar het volmaakte, dat volledig met God verenigd is. Maar de tegenstander van God heeft zich van deze macht beroofd door zijn aan God tegengestelde wil, omdat daardoor de liefde, de kracht waardoor alle dingen ontstaan, voor hem verloren ging. En nooit en te nimmer zal hij in het volledige bezit van kracht zijn, als de liefde, die van goddelijke oorsprong is, hem ontbreekt, want de liefde maakt het geestelijke tot een aan God gelijk wezen, dat scheppen en vormen kan volgens zijn wil. Een wil, die ook de wil van God zal zijn.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.