B.D.-Nr. 2502

De taak van degene, door wie God zichtbaar werkt

De goddelijke geest stroomt door al het zichtbare en onzichtbare, omdat alles uit God voortgekomen is. Maar de goddelijke geest wordt pas zichtbaar in het menselijke stadium, want voor die tijd ontbreekt het het wezen aan begrip en kennis van God en Zijn werkzaam zijn. Pas de mens heeft de gave om God te herkennen en bijgevolg kan ook pas dan het werkzaam zijn van de goddelijke geest in de mens zichtbaar worden.

De geest van God zit in alles, wat voor de mens zichtbaar is en hij maakt zich ook bekend aan degenen, die al zo ver doorgedrongen zijn in de kennis van God, dat ze ook het goddelijk geestelijke werkzaam zijn kunnen begrijpen. De geest van God daalt zichtbaar op zulke mensen neer. Dat wil zeggen dat ze dingen doen door de geest van God, die voor een mens anders niet mogelijk zijn. Zodoende is de geest van God door deze mensen werkzaam.

Maar het hart van de mens, door wie de geest van God werkzaam is, moet zonder onreinheden zijn. De mens moet zich in zijn gehele zijn veranderd hebben tot liefde. Hij moet zich aan God onderwerpen. Dat wil zeggen enkel Diens wil proberen te vervullen en Hem bewust willen dienen. En de geest van God daalt op deze neer. Hij vermeerdert diens kennis, doordat hij hem door de ziel het heersen en besturen van God bekendmaakt. Het allereerste begin en het einddoel van al het wezenlijke bekendmaakt. De zin en het doel van de schepping en van het aardse leven bekendmaakt.

Als de mens nu door de geest uit God binnengeleid is in de waarheid, wordt hem de goddelijke wijsheid gegeven. Zo is hij nu in staat om in dienst van de mensheid zijn taak te vervullen. Het gaat erom, de mensen als middelaar de wil van God over te brengen. God wil tot de mensen spreken en wel door de mond van een mens. De ontvanger moet tegenover de mensen dat uitspreken, wat hij door de stem in zijn hart vernomen heeft.

God heeft de mens voor deze taak nodig en Hij vult hem daarom met Zijn geest. Alleen een wetende mens kan onderrichtend werkzaam zijn. En zodoende wordt hij door God tot wetend mens opgeleid, opdat hij dan zijn kennis door kan geven. De geestvonk in de mens staat in een voortdurende verbinding met de geest uit God, die de uitstraling van God is en alles doorstroomt, wat zich tot volmaaktheid probeert te ontwikkelen. De goddelijke geestvonk in de mens neemt dus door de toestroom toe. Zijn kracht neemt toe. Maar licht en kracht zijn één en licht is kennis. En zodoende moet de mens wetend worden, zodra hij door de geest van God doorstroomd wordt.

Maar de mens moet zijn kennis benutten. Hij moet het aan zijn medemensen doorgeven, want daarvoor is hij uitgekozen, zodra de geest van God door hem werkzaam is. Want de mensen hebben dringend de geestelijke toestroom nodig, die nu door een middelaar naar hen toegestuurd wordt, omdat ze zichzelf niet zo vormen, om hier rechtstreeks ontvanger van te kunnen zijn.

Het willen vervullen van deze taak is er in zekere zin ook de voorwaarde voor, dat het geestelijke geschenk een mens aangeboden wordt, ofschoon de mens ook zelf serieus werkzaam moet zijn aan de ontwikkeling van zijn ziel en de wil daartoe stelt hem pas in staat om het middelaarsambt op zich te nemen. Want alleen daar kan de geest uit God werkzaam zijn, waar aan alle voorwaarden voldaan wordt, omdat de geschenken, die de geest uit God de mensen aanbiedt, buitengewoon waardevol zijn en ze daarom niet in het wilde weg elk mens toegestuurd kunnen worden, die hiervoor niet waardig zijn.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.